Vanochtend ben ik in de supermarkt. “Wat ben je aan het doen?”, tetter ik in het oor van de winkeljuffrouw. Ze draait zich om en stopt even met haar activiteiten. Mijn moeder geneert zich en geeft me een por. Geduldig legt de mevrouw uit dat ze de zelfscanners uit haar mandje haalt en weer terug in de muur zet. Een voor een pak ik de resterende apparaatjes en geef ze aan haar. Een exemplaar houd ik echter in eigen hand; ik moet immers zelf ook nog boodschappen doen.
Mijn moeder fietst door de winkelstraat richting huis. Onderweg komen we langs een graafmachine en twee heerschappen. Ik maan mijn moeder tot stilstand. Wederom informeer ik naar de aard van de activiteiten. Antwoord krijg ik van mijn moeder. De heren zijn namelijk druk bezig; de ene in zijn graafmachine en de ander in de greppel. Ik loop rond, kijk in het gat en geef aanwijzingen. Van de meneer in de greppel krijg ik een koperen kraantje als dank voor mijn werkzaamheden als opzichter.
Eenmaal thuis tilt mijn moeder mij uit het fietsstoeltje. Een grote graafmachine rijdt straal langs me heen. Zonder nadenken ren ik achter het gevaarte aan. Hij stopt bij de grote zandbak die onze straat inmiddels is geworden. Ik zwaai naar de bestuurder en informeer naar zijn bezigheden. Hij wijst naar zijn voorlader die vol met zand ligt. Ik ren mijn moeder tegemoet en vraagof ze mijn schep en kruiwagen haalt. Even later bedwing ik de berg zand. In de brandende zon werk ik me in het zweet.
Na de lunch wil ik graag naar de treinen kijken. Mijn moeder hijst mijn zusje en mij in de bakfiets en zet koers naar het station. Op het perron staat de sprinter naar U. klaar voor vertrek. De conducteur rookt nog zijn sigaretje. Ik vraag hem naar zijn werkzaamheden. Hij stapt zo in de trein en dan brengt hij de mensen naar hun bestemming. Eerst moet hij echter de slagbomen neerlaten. Uit zijn tasje tovert hij een sleutel tevoorschijn. Ik assisteer hem bij deze bijzondere verrichting.
Thuis mag ik even televisie kijken. Lang houd ik het echter niet uit. Verlangend kijk ik naar buiten. Ik vraag mijn moeder of ze de deur voor mij openmaakt. Daar neem ik meteen de bezem ter hand. De tuin ligt bezaaid met blaadjes. Mijn kruiwagen is al snel goed gevuld. Dan komt mijn moeder met een schaaltje met chocolaatjes en een groot glas melk. Ze informeert naar mijn bezigheden. Ik zucht eens diep en veeg over mijn voorhoofd. Ze kan beter helpen. Praatjes vullen immers geen gaatjes.
Geef een reactie