Met kleine wieltjes vooruit

Elke dag brengen we Pim naar school. Noor en ik zitten in de bakfiets van mijn moeder. Guus huilt dat hij niet op zijn eigen fietsje mee mag. Hij moet genoegen nemen met het stoeltje achterop. Pim fietst voor ons en wijst de weg. Na het moment van afleveren fietst mijn moeder steenvast naar het station van de Nederlandse Spoorwegen. Mijn broer en ik kijken namelijk heel graag naar de treinen die ons stadje aandoen of eraan voorbij razen. Een dag geen treinen gezien, is een dag niet geleefd. Noor vindt het allemaal best en hangt inmiddels halfslapend in haar stoeltje.

Op het perron wachten wij op de sprinter uit Utrecht. Gelukkig houden de machinist en conducteur even een korte pauze op dit station. Plotseling gaat het geluidssignaal van de spoorbomen af. De sprinter laat nu niet meer lang op zich wachten. Ik spring op en neer en klap in mijn handjes. Guus rent als een dolle hond rondjes op het perron. De trein komt tot stilstand. De machinist stapt uit. Hij ziet mijn enthousiasme en biedt mij een kijkje in de cockpit aan. Dat vind ik echter veel te spannend. Ik durf zelfs het knopje om de deuren te openen, niet aan te raken.

Na een paar weken ben ik gewend aan het open en dichtgaan van de deuren. Guus maakt om de haverklap de deuren open. Dan stapt hij naar binnen. Ik vind het erg gevaarlijk en raak helemaal in paniek. De trein zou natuurlijk zomaar kunnen wegrijden met mijn broer. Misschien is hij dan voorgoed verdwenen. Toch wint mijn nieuwschierigheid het van de angst na een aantal weken. Op een goede dag vraag ik mijn moeder of zij even met mij in de trein wil kijken. Ze opent de deur en gaat samen met mij en Guus naar binnen. Natuurljik stapt ze ook op tijd weer uit.

De volgende stap is een korte rit met de trein. Mijn moeder kiest Hilversum uit. Die reis duurt maar vier minuten. In geval van nood kan mijn vader ons nog altijd komen ophalen. Op het station koopt mijn moeder een railrunner voor mijn broer. Noor en ik mogen gratis mee. We wachten op het perron op de sprinter. Als de trein stopt, zoek ik toch even de veiligheid van mijn moeder op. Een mevrouw helpt mijn moeder de wandelwagen waarin mijn zusje slaapt, in de trein te tillen. Tijdens het rijden zit ik zowat aan mijn moeder vastgeplakt. Toch ben ik razendenthousiast.

Het uitstapje naar Hilversum smaakt naar meer. Nu wil mijn broer graag met de intercity rijden. Dat betekent dat we naar Amsterdam gaan Met de sprinter rijden we naar de hoofdstad. Op het centraal station maken we meteen rechtsomkeers. We zijn nog net op tijd om met de vertragende intercity richting Hilversum te vertrekken. Inmiddels ben ik al een stuk vrijer in mijn bewegingen. Ik zit tussen mijn moeder en Guus in en heb de grootste lol. In Hilversum moeten we nog een keer overstappen. Doodmoe maar voldaan gaan we naar huis. Morgen wil ik weer!

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *