Elke weekdag breng ik mijn broers trouw naar school. Over een jaar mag Noor mij naar mijn stoel begeleiden. Tot dan speel ik voor en na schooltijd met mijn toekomstige klasgenootjes op het plein. Naar alle waarschijnlijk zullen W. en ik in dezelfde klas terechtkomen. Onze moeders hebben dat besloten. W. en ik zijn niet de beste vrienden. Toch hebben we één ding gemeen; we hadden allebei op dezelfde dag het levenslicht moeten zien. Dat schept een band. Tussen moeders althans.
Heel eerlijk gezegd heb ik medelijden met W. Moeder M. voedt haar kinderen keurig volgens het boekje op. Mijn moeder daarentegen houdt de teugels losjes in de hand. Dat bijt elkaar nogal. Desondanks kunnen ze het goed met elkaar vinden. Bovendien is M. een zeer waardevolle bron van informatie voor mijn moeder. Tussen de middag past ze namelijk op de schoolkinderen op. Zo hoort mijn moeder of mijn broers zich netjes gedragen en hoe ze zich handhaven in de kudde.
Mijn broers liggen goed in de markt bij M. Ik ben echter de spreekwoordelijke doorn in haar oog. Ze kan het niet verteren dat ik zonder jasje loop. Ook niet als het kwik boven de 18 graden komt. Bovendien vindt ze het een gruwel dat ik graag naakt loop. Mijn moeder heeft haar niet eens verteld dat ik afgelopen kerst in adamskostuum heb gevierd. Ze kijkt wel uit. Voor ze het weet, vuurt moeder overste een heel salvo opvoedingsadviezen op haar af. Voor de zoveelste keer.
Op het grote schoolplein ren ik als een dolle hond rondjes. Ik speel krijgertje samen met mijn broers en twee meiden van de hoogste klas. W. staat op zijn step, naast zijn moeder geparkeerd. Waarschijnlijk kijkt hij met afgunst naar het tafereel. Dan verdwijn ik plotseling van de radar bij mijn moeder. Niet voor lang. M. pakt me nog net niet bij mijn nekvel. Met een glimlach retourneert ze me bij mijn moeder. Ze doet haar relaas en adviseert mijn moeder mij goed in de gaten te houden.
Aan het eind van de middag maakt mijn moeder ons klaar voor vertrek. We gaan Pim en Guus ophalen van school. Ik heb nog energie te over en wil graag lopen. Mijn moeder fietst naast me. Op een drafje volgen we de gebruikelijke route. Vanuit het niets doemt moeder M. op. Voor op haar fiets zit W. veilig ingesnoerd. Ze kletst even met mijn moeder en bewondert mijn lichamelijke inspanning. Dan toont ze onverwacht mildheid tegenover mijn moeder; wat heb je toch een bijzonder kind!”
Geef een reactie