Auteur: Jan Everts

  • Met kleine wieltjes vooruit

    Elke dag brengen we Pim naar school. Noor en ik zitten in de bakfiets van mijn moeder. Guus huilt dat hij niet op zijn eigen fietsje mee mag. Hij moet genoegen nemen met het stoeltje achterop. Pim fietst voor ons en wijst de weg. Na het moment van afleveren fietst mijn moeder steenvast naar het station van de Nederlandse Spoorwegen. Mijn broer en ik kijken namelijk heel graag naar de treinen die ons stadje aandoen of eraan voorbij razen. Een dag geen treinen gezien, is een dag niet geleefd. Noor vindt het allemaal best en hangt inmiddels halfslapend in haar stoeltje.

    Op het perron wachten wij op de sprinter uit Utrecht. Gelukkig houden de machinist en conducteur even een korte pauze op dit station. Plotseling gaat het geluidssignaal van de spoorbomen af. De sprinter laat nu niet meer lang op zich wachten. Ik spring op en neer en klap in mijn handjes. Guus rent als een dolle hond rondjes op het perron. De trein komt tot stilstand. De machinist stapt uit. Hij ziet mijn enthousiasme en biedt mij een kijkje in de cockpit aan. Dat vind ik echter veel te spannend. Ik durf zelfs het knopje om de deuren te openen, niet aan te raken.

    Na een paar weken ben ik gewend aan het open en dichtgaan van de deuren. Guus maakt om de haverklap de deuren open. Dan stapt hij naar binnen. Ik vind het erg gevaarlijk en raak helemaal in paniek. De trein zou natuurlijk zomaar kunnen wegrijden met mijn broer. Misschien is hij dan voorgoed verdwenen. Toch wint mijn nieuwschierigheid het van de angst na een aantal weken. Op een goede dag vraag ik mijn moeder of zij even met mij in de trein wil kijken. Ze opent de deur en gaat samen met mij en Guus naar binnen. Natuurljik stapt ze ook op tijd weer uit.

    De volgende stap is een korte rit met de trein. Mijn moeder kiest Hilversum uit. Die reis duurt maar vier minuten. In geval van nood kan mijn vader ons nog altijd komen ophalen. Op het station koopt mijn moeder een railrunner voor mijn broer. Noor en ik mogen gratis mee. We wachten op het perron op de sprinter. Als de trein stopt, zoek ik toch even de veiligheid van mijn moeder op. Een mevrouw helpt mijn moeder de wandelwagen waarin mijn zusje slaapt, in de trein te tillen. Tijdens het rijden zit ik zowat aan mijn moeder vastgeplakt. Toch ben ik razendenthousiast.

    Het uitstapje naar Hilversum smaakt naar meer. Nu wil mijn broer graag met de intercity rijden. Dat betekent dat we naar Amsterdam gaan Met de sprinter rijden we naar de hoofdstad. Op het centraal station maken we meteen rechtsomkeers. We zijn nog net op tijd om met de vertragende intercity richting Hilversum te vertrekken. Inmiddels ben ik al een stuk vrijer in mijn bewegingen. Ik zit tussen mijn moeder en Guus in en heb de grootste lol. In Hilversum moeten we nog een keer overstappen. Doodmoe maar voldaan gaan we naar huis. Morgen wil ik weer!

  • Slaapkamergeheimen

    “ Hij kan niet van mij zijn”, zegt mijn vader op een avond tegen mijn moeder. Mijn moeder moet lachen. “ Van wie moet hij dan zijn?”, is haar wedervraag. Mijn vader heeft geen antwoord paraat. “ De postbode ziet er heel Arabisch uit”, vervolgt ze, “ dat kan dus niet.” Buiten hem en mijn vader ziet mijn moeder geen man. Van mijn broers en zusje kan mijn vader nog enigszins een genetisch verband zien. Pim heeft de looks van hem, Guus zijn intelligentie. Noor lijkt op haar twee oudste broers. Over hen hoeft mijn vader mijn moeder dus absoluut niet aan de tand te voelen.

    Mijn vader verbaast zich over mijn witte haar. Naar zijn mening zal ik nooit bijkleuren. Dat lijkt hij te kunnen bepalen aan de hand van mijn haast niet waarneembare wenkbrauwen en wimpers. Een foutje van de natuur. Toegegeven, ik val nogal uit de toon met mijn broers en zus. Mijn moeder krijgt de slappe lach. Ze herinnert mijn vader eraan dat zijn bloedeigen moeder als dreumes ook zo wit was. Oma Ria heeft haar foto’s laten zien. Zij is wel met de tijd bijgekleurd, voert mijn vader ter verdediging aan. ” Bas is een laatbloeier”, antwoordt mijn moeder poeslief, ” net als jij!”

    Dan snijdt mijn vader het onderwerp naaktlopen aan. Ik loop graag zoals de natuur het bedoeld heeft. Zeker nu het zo’n mooi weer is, loop ik poedelnaakt door huis en tuin. Ook als het buiten op z’n zachts gezegd frisje is, weiger ik een shirtje en broek aan te doen. Ik snap wel dat ik me moet aankleden als we op pad gaan. Dat doet opa Tjerk ook, oppert mijn moeder. Het is natuurlijk de vraag of naaktlopen een genetische eigenschap is. In dat geval is mijn gedrag heel verklaarbaar, redeneert ze. Bij haar thuis houdt iedereen de kleren aan. Mijn vader trekt een zuur gezicht.

    Het ergert mijn vader dat ik zo’n heethoofd ben. Het is waar dat ik mijn emoties de vrije loop laat. Mijn hoofd wordt zo rood als een tomaat als iemand of iets mij boos maakt. Ik gil als een groot speenvarken. Zo af en toe blijf ik in de hysterie hangen. In dat geval houdt mijn vader mijn hoofd onder de kraan. Hij weet uit ervaring dat dit een zeer effectieve methode is. Mijn moeder wil graag weten hoe hij aan deze kennis komt. Blijkbaar heeft hij zelf in zijn kinderjaren vaak genoeg met zijn hoofd onder het water gehangen. Mijn moeder houdt wijselijk haar mond.

    Mijn vader is een heel slimme man. Hij kan toveren met de I-pad, laptop en computer. Complete overkappingen zet hij in een handomdraai op. Hij zet een kastenwand zó inelkaar en legt de electra van een geheel huis aan. Alleen in rekenen en logisch nadenken blinkt hij blijkbaar niet uit. Ga maar na: een witkleurige oma + een naaktlopende opa + een heethoofdige vader levert een witkleurig, naaktlopend en heethoofdig kind op. ” Maar goed,” zucht mijn moeder, ” een dna-test kan natuurlijk altijd.” Nu ze zo erover nadenkt, moet ze misschien zelf wel eentje laten doen.