Auteur: S.S.A. Boermans

  • Scheiden doet lijden

    Mijn oudste broer stoort zich mateloos aan het feit dat mijn ouders geen huwelijkse relatie met elkaar onderhouden. Dikwijls informeert hij wanneer er verandering in deze status te verwachten is. Mijn vader reageert doorgaans geïrriteerd op zijn vraag; het gaat mijn broer niets aan. Mijn moeder slaat een arm om mijn broer heen en geeft hem een kus. Dan legt ze uit dat mijn vader al eerder getrouwd is geweest. Blijkbaar is het huwelijk voor hem niet voor herhaling vatbaar.

    Mijn vader is zeker niet uniek binnen onze familie. Zowel de ouders van mijn vader als die van mijn moeder zijn gescheiden. Wij als kleinkinderen hebben op die manier een indrukwekkende verzameling aan grootouders; 2 opa’s, 4 oma’s en een gelegenheidsoma. Mijn opa tovert namelijk zo af en toe oma G. uit de hoge hoed. Moeilijk doen we daar niet over. We houden van elk evenveel. Bovendien heeft mijn vader gelijk; het liefdesleven van een ander gaat ons geen snars aan.

    Voor mijn oudste broer is acceptatie echter niet vanzelfsprekend. Vaak informeert hij bij mijn moeder naar de beweegredenen van mijn grootouders. In het kort komt het er op neer dat wie elkaar niet meer leuk vindt, niet meer met elkaar samenwoont. Blijkbaar is dat vervelend. Vooral voor mijn moeder. Die moppert zo nu en dan als we heen en weer pendelen tussen opa en oma. Een terugkeer naar de oorspronkelijke situatie is echter, zo verzekert ze hem, allesbehalve wenselijk.

    Soms hangt mijn moeder wel een uur lang aan de telefoon met mijn oma. Ze is nogal eenzaam, zo zonder een opa in huis. Ik gris het toestel uit de handen van mijn moeder en zet het gesprek voort. “Jij ben alleen”, tetter ik in haar oor. Mijn oma kan het niet ontkennen. Dan vraagt ze of ik haar gezelschap wil komen houden. Dat zie ik niet zo zitten. Mijn oog valt op mijn zusje die even verderop met haar pop speelt. “Noor komt wel”, troost ik haar. Mijn zusje is gelukkig meteen enthousiast.

    Vandaag verjaar ik. Voor deze gelegenheid hebben we zojuist een fraai versierde taart bij de bakker opgehaald. In de boodschappentas liggen zakken vol chips, chocolaatjes en ander lekkernijen Als een gek spring ik op de bank. Mijn moeder maant mij tot rust en vraagt mij wie zo dadelijk voor de deur staat. “Opa Teun!”, roep ik. Mijn moeder trekt me naar zich toe en knuffelt me. Ze waardeert mijn enthousiasme wel maar boort al mijn hoop de grond in; dat scenario wordt nooit werkelijkheid.

  • Werk in uitvoering

    In ons dorp is het gewoonlijk idyllisch stil. Al vroeg wekken de vogels mij met hun gefluit. Op mijn beurt maak ik de rest van het huishouden wakker. Hoe anders is het vanochtend. Een vrachtwagen deponeert zijn laadbak op straat. Door de klap zitten we allemaal rechtop in bed. Nieuwsgierig kijk ik naar buiten. De chauffeur keert zijn wagen op het parkeerterrein tegenover ons huis. Even later hobbelt een enorme graafmachine door de straat, gevolg door een kleiner exemplaar.

    De eerste verrichtingen volg ik op gepaste afstand. De grote graafmachine schept de klinkers van de straat en deponeert ze in de laadbak. De vrachtwagen takelt vervolgens de volle bak weer op zijn oplegger en rijdt weg. Ik volg het tafereel met open mond. Met de kleine graafmachine haalt een werkman de bovenste laag aarde weg. De rest doen de mannen handmatig. Een van hen heeft mijn belangstelling opgemerkt en nodigt mij uit om mee te helpen. Snel haal ik thuis mijn schep.

    Bij thuiskomst goed mijn hand wassen, is het vriendelijk doch dringend advies van mijn nieuwe collega’s. Daar heb ik niet zo’n zin in. Mijn moeder probeert mijn handen in te zepen en onder de kraan te krijgen. Blijkbaar is het niet voldoende. De volgende ochtend moet ik spugen. Ik installeer me op de bank en kijk tekenfilmpjes. In de middag ben ik weer fit genoeg om terug te keren op de werkplek. Gedwee laat ik mij op een muurtje zetten. Vanaf die plek houd ik deskundig toezicht.

    Het werk vordert gestaag en al snel is het tijd voor de spreekwoordelijke kers op de taart. De stratenmakers komen tot mijn grote vreugde niet met lege handen. Vlak voor ons huis ligt een grote berg schoon zand. Elke ochtend wandel ik naar de werkplek en geef stratenmaker T. een hand. Van hem mag ik samen met mijn zusje urenlang met mijn kruiwagen en schep in de zand spelen. Voorbijgangers prijzen mijn vlijt. Ik bof dat ik in de mooist denkbare zandbak mag werken.

    Op de zoveelste ochtend trek ik mijn moeder voor de zoveelste keer aan haar spreekwoordelijke mouw. Ik moet dringend naar mijn werk toe. Bij aankomst is de berg zand verdwenen. De werkmannen zijn zo goed als klaar. De zandberg zal dus niet meer aangevuld worden. Mijn moeder adviseert me de mannen een handje te geven en me bedanken voor de gastvrijheid. Boos sla ik mijn armen over elkaar en draai me om. Dat wil ik zeer zeker niet. Mijn werk hier is klaar.

  • Praatjesmaker

    Vanochtend ben ik in de supermarkt. “Wat ben je aan het doen?”, tetter ik in het oor van de winkeljuffrouw. Ze draait zich om en stopt even met haar activiteiten. Mijn moeder geneert zich en geeft me een por. Geduldig legt de mevrouw uit dat ze de zelfscanners uit haar mandje haalt en weer terug in de muur zet. Een voor een pak ik de resterende apparaatjes en geef ze aan haar. Een exemplaar houd ik echter in eigen hand; ik moet immers zelf ook nog boodschappen doen.

    Mijn moeder fietst door de winkelstraat richting huis. Onderweg komen we langs een graafmachine en twee heerschappen. Ik maan mijn moeder tot stilstand. Wederom informeer ik naar de aard van de activiteiten. Antwoord krijg ik van mijn moeder. De heren zijn namelijk druk bezig; de ene in zijn graafmachine en de ander in de greppel. Ik loop rond, kijk in het gat en geef aanwijzingen. Van de meneer in de greppel krijg ik een koperen kraantje als dank voor mijn werkzaamheden als opzichter.

    Eenmaal thuis tilt mijn moeder mij uit het fietsstoeltje. Een grote graafmachine rijdt straal langs me heen. Zonder nadenken ren ik achter het gevaarte aan. Hij stopt bij de grote zandbak die onze straat inmiddels is geworden. Ik zwaai naar de bestuurder en informeer naar zijn bezigheden. Hij wijst naar zijn voorlader die vol met zand ligt. Ik ren mijn moeder tegemoet en vraagof ze mijn schep en kruiwagen haalt. Even later bedwing ik de berg zand. In de brandende zon werk ik me in het zweet.

    Na de lunch wil ik graag naar de treinen kijken. Mijn moeder hijst mijn zusje en mij in de bakfiets en zet koers naar het station. Op het perron staat de sprinter naar U. klaar voor vertrek. De conducteur rookt nog zijn sigaretje. Ik vraag hem naar zijn werkzaamheden. Hij stapt zo in de trein en dan brengt hij de mensen naar hun bestemming. Eerst moet hij echter de slagbomen neerlaten. Uit zijn tasje tovert hij een sleutel tevoorschijn. Ik assisteer hem bij deze bijzondere verrichting.

    Thuis mag ik even televisie kijken. Lang houd ik het echter niet uit. Verlangend kijk ik naar buiten. Ik vraag mijn moeder of ze de deur voor mij openmaakt. Daar neem ik meteen de bezem ter hand. De tuin ligt bezaaid met blaadjes. Mijn kruiwagen is al snel goed gevuld. Dan komt mijn moeder met een schaaltje met chocolaatjes en een groot glas melk. Ze informeert naar mijn bezigheden. Ik zucht eens diep en veeg over mijn voorhoofd. Ze kan beter helpen. Praatjes vullen immers geen gaatjes.

  • Konijnenjacht

    Van mijn opa krijg ik een heel speciaal cadeau voor mijn geboorte. Het is een klein bruinkleurig knuffelkonijn met een grappig vlinderdasje om zijn nek. Al snel is hij mijn hartendief. De paniek is dan ook groot als een aantal dagen later mijn konijn van de aardbodem verdwenen lijkt. Mijn moeder zoekt vijf lange dagen in en om ons huis. Dan geeft ze het op. Diezelfde avond doet ze een opmerkelijke ontdekking; het konijn ligt vastgeklemd tussen de muur en mijn bed.

    Na een stevige wandeling van school komt mijn moeder weer thuis. Ik zit in de duowagen naast mijn zusje. Ze merkt vrijwel direct de afwezigheid van mijn konijn op. Snel marcheert mijn moeder terug naar school. Ondertussen krijst mijn zusje het uit; ze heeft honger en wil graag een fles hebben. De prioriteit van mijn moeder ligt nu echter elders. Daar op het plein, op een verkeerspaaltje heeft iemand mijn konijn te vondeling gelegd. Mijn moeder prevelt dankbaar een kort gebed.

    Gewassen en gestreken zit ik naast mijn moeder op de bank in mijn slaapkamer. Ze leest voor uit het grote plaatjesboek. Dan is het hoog tijd voor mij om te gaan slapen. Mijn moeder zoekt naar mijn konijn. Al snel roept ze de hulp van mijn vader in. Zonder bevredigend resultaat. Ten einde raad legt mijn moeder mij zonder mijn vriend in bed. Drie lange dagen speurt ze het huis af. Dan doet mijn oudere broer een vreselijke ontdekking; mijn konijn ligt in de kerker van ons kasteel weggestopt.

    Mijn moeder moet voor een kleine boodschap naar het centrum van ons dorp. Het is een koude maar zonnige middag. Mijn zusje zet ze in de kinderenwagen. Ik mag in de draagdoek op haar rug. Mijn konijn wil ik per se meenemen. Tegen beter weten geeft mijn moeder uiteindelijk toe. Ik moet wel beloven hem stevig vast te houden. Toch zoekt mijn moeder zich even later een ongeluk tussen het winkelende publiek. Op het bankje voor de boekhandel wacht mijn konijn geduldig op ons.

    Mijn moeder is het meer dan zat; mijn konijn moet aan de lijn. Ze tovert een key cord tevoorschijn en knoopt die om de nek van mijn konijn. Witheet van woede trek ik aan de strop. De integriteit van het konijnenlijf staat bij mij hoog in het vaandel. Voor mijn moeder telt alleen haar innerlijke rust. Uiteindelijk bedenkt ze een oplossing; mijn konijn heeft voortaan huisarrest. Dus knuffel ik voor vertrek mijn konijn en leg hem in bed. Daar zit hij wederom zielig en alleen. Maar wel veilig dit keer.

  • In zak en as

    Het is een zeer spannende tijd voor de allerkleinsten onder ons. De goedheiligman is namelijk weer op weg naar Nederland. Op een regenachtige middag versieren mijn moeder en ik de woonkamer; we hangen slingers op en zetten onze knutselwerkjes op de vensterbanken. Ondertussen passen mijn broers de kostuums die horen bij deze feestelijke gelegenheid. Mijn zusje pakt de siercadeautjes uit. Tot slot wijden we ons aan de allerbelangrijkste taak; verlanglijstjes maken.

    Op de dag van de intocht zitten we keurig vier op een rij. We kijken naar de televisie met een bakje pepernoten op schoot. Ik ben laaiend enthousiast als ik de boot de haven van M. zie binnenvaren. Eenmaal aan wal klimt Sinterklaas op zijn paard. Ik laat mijn moeder weten dat ik maar al te graag het witte dier zou willen aaien. Hopelijk kan ze dit voor mij regelen. Het beste paard komt immers binnenkort ook naar ons dorp. De rest van de middag zingen we luidkeels de bekende liederen.

    Mijn zusje verjaart op de dag dat Sinterklaas aanmeert in de haven van ons dorp. Samen met mijn broertjes wacht ik gespannen op het dorpsplein. Ik balanceer op de nek van mijn moeder. Dan trekt een bonte stoet de winkelstraat in. De Zwarte Pieten vullen mijn kinderhandje met pepernoten en schuimpjes. Ik stop het goedje meteen weg in mijn wangzakken. Mijn broertjes bewaren hun vangst in plastic zakjes voor een later moment. Het paard loopt overigens helaas straal langs me heen.

    Op de dag van pakjesavond zetten we koers naar het Zuiden. Naar verluid heeft Sinterklaas per abuis onze cadeau’s bij mijn oma afgeleverd. De sufferd. Onderweg kan ik mijn zenuwen amper bedwingen. Mijn moeder adviseert mij om een middagdutje te doen. Voor deze ene keer luister ik naar haar. Fris en fruitig arriveer ik bij de voordeur van mijn oma. Mijn oudste broer rent meteen langs haar heen richting de garage. Uit ervaring weet hij blijkbaar waar de buit verstopt ligt.

    De rest van de middag spelen we zoet met ons nieuwe speelgoed. Toch slaat op enig moment de verveling bij mij toe. Ik raak voorzichtig de nieuwe lego-aanwinsten van mijn broers aan. Die zijn meteen des duivels. Dan wend ik me tot mijn zusje. Mijn moeder herkent algauw het patroon in mijn gedrag. Ze grijpt me bij mijn kladden en deponeert me in de juten zak van Sinterklaas. Dan slingert ze de zak met inhoud over haar schouder. Voor straf verhuis ik voor een klein jaartje naar Spanje.

  • Dierverwisseling

    Vroeg op de ochtend fietst mijn moeder naar school. Onderweg maken we een ronde door het park. Zo ook vanochtend. Even verderop staat een meneer met een kleine hond aan de lijn. Dolenthousiast roep ik; ” Kijk, mama, een cavia!”

  • Papa vogel

    Op het grote bed lig ik even te soezen. Mijn vader ligt naast mij. Ik aai hem zachtjes over zijn arm. Nieuwsgierig vraag ik hem wat die dingen op zijn arm zijn. “Haren”, antwoordt mijn vader. Dat kan ik niet geloven. Naar mijn professionele mening zijn het toch echt geen haren maar veren.

  • Duwtje in de rug

    Mijn moeder en ik zijn op weg naar huis. Mijn broertjes zitten inmiddels veilig opgeborgen op school. Ik zit achterop haar bakfiets in het zitje. Opeens duw ik mijn gezicht in haar rug en wrijf het heen en weer. Nieuwsgierig informeert mijn moeder naar mijn bezigheden. Naar eer en geweten antwoord ik haar; “ik heb snot.”

  • Dierenleed

    ’s Avonds laat werpt mijn moeder een blik in mijn bedje. Ik lig in foetushouding. Naast mij ligt een klein bruin voorwerp. Voor mijn moeder is het een raadsel. Ze kijkt nog eens rond in mijn bedje. Een eindje van mij vandaan ligt mijn knuffelkonijn. Opeens valt het spreekwoordelijke kwartje; mijn konijn heeft zijn arm verloren.

    De volgende dag vraagt mijn moeder naar het waarom van dit zinloos geweld. Mijn konijn vindt het vast niet zo leuk. Dat betwijfel ik; “nijn kan niet huilen.”

  • Brandstof

    Vanochtend zitten we met z’n allen in de auto. We zijn onderweg naar oma T. Guus blijft een aantal nachtjes bij haar logeren. Mijn vader maakt een omweg door België. Daar kan mijn vader goedkoop benzine krijgen, legt hij uit. Vanaf de middenbank voeg ik het overbodige toe; ” anders kan de auto niet rijden.”