Auteur: S.S.A. Boermans

  • Oorlogswond

    Fris en fruitig stap ik onder de douche vandaan. Mijn vader droogt mij af. Ik stap op het krukje en poetst mijn tandjes. Zometeen moet ik naar bed. Daar heb ik niet zo’n zin in. Vervolgens ren ik als een bezetene rondjes in mijn kamer. Ik vuur mijn konijn op mijn moeder af. Ze pakt ‘m bij zijn oren. Ik zet mijn tanden in zijn been. Opeens heb ik een harig pootje in mijn mond. In de hand van mijn moeder ligt mijn konijn. Hij is overduidelijk geamputeerd.

  • Jut en Jul

    Buiten schijnt de zon. Mijn zusje en ik spelen in de tuin. Onze broers zijn de hele dag op school. Noor en ik zijn dus min of meer tot elkaar veroordeeld. Soms hebben we het goed samen; soms hebben we slaande ruzie. We verkeren immers beide in de peuterpubertijd. Het enige verschil is dat ik een volleerd peuter ben en mijn zus een beginneling. Helaas voor mij; Noor is erg bij de pinken. Ze leert snel en ze leer het van de beste. We zijn dus een duo-pak explosief materiaal.

    Ik heb het inmiddels warm gekregen van het springen op de trampoline. Gelukkig weet ik instinctief wat mij te doen staat. Ik trek aan mijn kleding en roep mijn moeder. Ze helpt me met het shirt; de rest kan ik tegenwoordig gelukkig zelf. Dan valt mijn oog op mijn mooie rode regenlaarsjes. Poedelnaakt ren ik op mijn laarsjes terug naar de springhoek. Mijn zusje slaat het tafereel gade. Ze wil graag ook van kleding en luier bevrijd worden. Daarna trekt ze de blauwe laarzen van Pim aan.

    Het valt mij op dat op ons terras al de nodige blaadjes liggen. Dat kan zo niet. Ik maan mijn moeder tot actie. Even later zijn we druk aan het vegen. Mijn zusje wil ook en heeft het op mijn bezem voorzien. Mijn moeder geeft haar een handveger. Dat zint haar niet. Ze slaat mij ermee op het hoofd. Ik gil en geef haar een nog grotere klap terug. Mijn moeder tovert twee bijna identieke harken tevoorschijn. Dat is interessant. Gierend van de lach harken we de hoop bladeren weer uiteen.

    Mijn moeder roept ons bij zich. Op de grond voor haar ligt een lieveheersbeestje. Onduidelijk is of het dier nog leeft. Ik doe mijn best om dat te achterhalen. Mijn zusje wil graag ook zo’n eentje om mee te spelen. Ze trekt aan mijn haren en huilt dikke tranen. Ik duw haar zo hard weg dat ze op haar billen landt. Gelukkig ontdekt mijn moeder verderop nog een -levend- exemplaar. Ze pakt ‘m op en legt hem bij zijn collega neer. Tevreden spelen mijn zusje en ik samen met onze tuindiertjes.

    Na de lunch zijn we wederom druk in de tuin. We verkopen ijsjes en hebben ruzie over wie er nu op de trampoline mag. Mijn moeder trakteert ons op een lekker ijs. Ik neem een raketje, Noor kiest een aardbeienijsje. Even verderop staan onze tuinstoeltjes. We ploffen neer en keuvelen gezellig. Ik mag een likje van Noor haar ijs en zij van het mijne. Dan besluiten we te ruilen. Om vervolgens nogmaals van ijs te wisselen. Liefdevol leg ik een arm om mijn zusje heen; we zijn en blijven beste vrienden.jut en jul

  • Brandweerman Bas

    Elke dag mag ik een uurtje naar de televisie kijken van mijn moeder. Zo kan ze ongestoord een klusje in de huishouding doen. Mijn voorkeur gaat uit naar de afleveringen van brandweerman Sam. Hij is de held van een klein stadje en beleeft de meest uiteenlopende avonturen. Na mijn dagelijkse beeldbuisvitaminen ga ik zelf aan de slag. Ik heb inmiddels een hele collectie Sam-items zoals een kazerne en een brandweerauto. Zo kan ik de uitzending nog eens dunnetjes overdoen.

    ’s Ochtends breng ik plichtsgetrouw mijn broertjes naar school. Daarna dirigeer ik mijn moeder naar de grote rotonde nabij de supermarkt met de hamsters. Daar bevindt zich de brandweerkazerne van ons dorp. Ik sta met mijn snoet tegen het raam geplakt. Binnen staat een vijftal brandweerauto’s; vier moderne exemplaren en een (heel)oud besje. Mijn zusje en moeder wachten geduldig bij de bakfiets. Ze weten dat het nog wel even kan duren totdat ik al het moois ervan af gekeken heb.

    In het geheim werkt mijn moeder aan een grote verrassing voor mij. Ze neemt contact op met de brandweer. De commandant in kwestie is zeer verrast door haar verzoek. Hij neemt de zaak zeer serieus en bereidt een heus ontvangst voor. Mijn moeder heeft ook voor al onze buurtjongetjes een uitnodiging geregeld. Die zijn dolenthousiast als ze horen dat we een middag in de kazerne mogen komen kijken. Om het feest compleet te maken, bakt mijn moeder pannenkoeken na afloop.

    In een feestelijke optocht fietsen we met onze buurjongens naar de kazerne. Stipt op tijd opent de commandant de deuren. Ik klamp me als een aapje aan mijn moeder vast. Nu wordt het spannend. Ze moet me naar binnen dragen. Mijn broertjes klimmen enthousiast in de eerste de beste brandweerwagen. Ik wil er echter niets van weten. Ook de uitrusting van de brandweerman wil ik niet aandoen. Ik weiger mijn moeder los te laten. Pas als we buiten staan, ren ik weer vrolijk rond.

    Thuis gaan we meteen aan tafel. De moeder van een buurjongetje helpt ons met de pannenkoeken. Mijn eigen moeder staat in de keuken en werkt zich in het zweet. Zeven jongens eten sneller dan een enkele moeder kan bakken. De stroop plakt aan onze handen en ons haar is spierwit van de poedersuiker. Dan heb ik mijn buik vol. Uit de kast haal ik mijn brandweerauto. Ik ga plat op mijn buik liggen en rol de wagen heen en weer. “Tatuu Tatuu”, klinkt het weer als vanouds uit mijn mond.

  • Moeder overste

    Elke weekdag breng ik mijn broers trouw naar school. Over een jaar mag Noor mij naar mijn stoel begeleiden. Tot dan speel ik voor en na schooltijd met mijn toekomstige klasgenootjes op het plein. Naar alle waarschijnlijk zullen W. en ik in dezelfde klas terechtkomen. Onze moeders hebben dat besloten. W. en ik zijn niet de beste vrienden. Toch hebben we één ding gemeen; we hadden allebei op dezelfde dag het levenslicht moeten zien. Dat schept een band. Tussen moeders althans.

    Heel eerlijk gezegd heb ik medelijden met W. Moeder M. voedt haar kinderen keurig volgens het boekje op. Mijn moeder daarentegen houdt de teugels losjes in de hand. Dat bijt elkaar nogal. Desondanks kunnen ze het goed met elkaar vinden. Bovendien is M. een zeer waardevolle bron van informatie voor mijn moeder. Tussen de middag past ze namelijk op de schoolkinderen op. Zo hoort mijn moeder of mijn broers zich netjes gedragen en hoe ze zich handhaven in de kudde.

    Mijn broers liggen goed in de markt bij M. Ik ben echter de spreekwoordelijke doorn in haar oog. Ze kan het niet verteren dat ik zonder jasje loop. Ook niet als het kwik boven de 18 graden komt. Bovendien vindt ze het een gruwel dat ik graag naakt loop. Mijn moeder heeft haar niet eens verteld dat ik afgelopen kerst in adamskostuum heb gevierd. Ze kijkt wel uit. Voor ze het weet, vuurt moeder overste een heel salvo opvoedingsadviezen op haar af. Voor de zoveelste keer.

    Op het grote schoolplein ren ik als een dolle hond rondjes. Ik speel krijgertje samen met mijn broers en twee meiden van de hoogste klas. W. staat op zijn step, naast zijn moeder geparkeerd. Waarschijnlijk kijkt hij met afgunst naar het tafereel. Dan verdwijn ik plotseling van de radar bij mijn moeder. Niet voor lang. M. pakt me nog net niet bij mijn nekvel. Met een glimlach retourneert ze me bij mijn moeder. Ze doet haar relaas en adviseert mijn moeder mij goed in de gaten te houden.

    Aan het eind van de middag maakt mijn moeder ons klaar voor vertrek. We gaan Pim en Guus ophalen van school. Ik heb nog energie te over en wil graag lopen. Mijn moeder fietst naast me. Op een drafje volgen we de gebruikelijke route. Vanuit het niets doemt moeder M. op. Voor op haar fiets zit W. veilig ingesnoerd. Ze kletst even met mijn moeder en bewondert mijn lichamelijke inspanning. Dan toont ze onverwacht mildheid tegenover mijn moeder; wat heb je toch een bijzonder kind!”

  • Ik kan het zeker wel

    Guus en ik hebben vanochtend ruzie. Hij wil iets dat ik niet wil. Mijn moeder kalmeert Guus en vertelt hem dat hij begrip voor mij moet hebben. Ik ben immers nog een kleine jongen en kan me nog niet goed uiten. Dat maakt me razend; ” ik kan het wel, mama!”

  • Dom

    Met mijn broers en zusje ben ik onderweg naar oma J. Mijn moeder zit achter het stuur. Opeens schrikt ze; het cadeau ligt thuis nog op tafel. Dat betekent dat ze terug naar huis moet. Pim roept vanaf de achterbank dat ze dom is. Ik neem het op voor mijn moeder; ” mama niet dom zeggen.”

  • Mannetjesgedrag

    Over enkele minuten gaat de schoolbel. Dan komen mijn oudere broer en zijn klasgenoten naar buiten. Tot die tijd amuseer ik mij nog even op het speeltoestel. Ik vraag mijn moeder mij op de glijbaan te helpen. Ze klemt mijn zusje tussen haar benen en hijst mij naar de bovenste tree van het trapje. Daarna positioneert ze zich op mijn uitdrukkelijke verzoek onderaan de glijbaan.

    Dan verschijnt vriendinnetje M. ten tonele. Ik wil graag een goede indruk maken op haar. Daar kan ik mijn moeder nu niet goed bij gebruiken. Ik sommeer haar weg te gaan. Met enorme snelheid schuif ik vervolgens naar beneden. Daar kukel ik voorover en val met mijn gezicht vol in de aarde. M. haar aandacht heb ik in ieder geval wel. Evenals een rooie neus en twee gitzwarte handen.

  • Stroom

    De zon schijnt vrolijk deze middag. Mijn broers en ik spelen buiten. Pim schommelt, Guus rommelt een beetje aan en ik spring wild op de trampoline. Dan komen er donkere wolken aandrijven. De donder laat zich ook horen. Mijn oudste broer vertelt ons dat door dit natuurlijk proces stroom ontstaat. Ik volg zijn college met belangstelling. Dan volgt nog meer lawaai. Stokstijf blijf ik staan: ” mama”, roep ik, ” stroom!”

  • Broem!

    Diep dankbaar ben ik voor mijn twee broers. Ik leer ontzettend veel van ze. Vanochtend houdt Guus een lezing over wijs op reis. Op het moment leert hij zelf op twee wielen door het verkeer te manoeuvreren. Ik neem zijn adviezen dus ter harte. Dan loop ik naar mijn moeder die onze outfits voor vandaag uitkiest. ” Als ik op straat loop, rijdt auto mij dood,” zeg ik bloedserieus.

  • Kind met het badwater

    Aan het einde van deze mooie zondag zitten mijn broers en ik in bad. Dikke plukken schuim drijven rond. Guus neemt zo af en toe eens een slok van het badwater. Of hij maakt een baardje met het schuim. Mijn moeder waarschuwt hem dat hij daarvan ziek kan worden.

    Maandagochtend ziet mijn broer ietwat pips uit. Zijn lichaampje voelt als een kachel. Mijn moeder maakt een bedje op de bank voor hem. Dan mag de televisie aan.

    Daarna loopt mijn moeder weer naar boven en haalt mij uit bed. Onder het aankleden vertelt ze me dat Guus ziek is en niet naar school hoeft vandaag. Ik weet wel hoe dat komt; ” Uus water bad drink.”