Auteur: S.S.A. Boermans

  • Tot gauw

    De zon schijnt lekker vandaag. We zijn in het Cantonspark. Mijn vader en moeder zitten gemoedelijk op een bankje. Op de schoot van mijn vader zit mijn zusje te kijken naar de vliegtuigen in de lucht. Aan de overkant van de vijver spelen mijn broers en ik.

    Drie bloedmooie (tiener)meiden komen aanlopen en nestelen zich bij de grote, oude boom. Ze zijn blijkbaar vertederd door ons drietal en nodigen ons uit om bij ze te komen. Guus doet maar al te graag mee. Pim heeft belangrijkere zaken te doen en verdwijnt uit het zicht. Ik twijfel nog. Dan draai ik mij om en zet koers naar mijn ouders.

    Even later maken Noor, mijn ouders en ik een rondje door het park. Dan besluiten mijn ouders naar huis te gaan. Het is alweer bijna etenstijd. Mijn moeder hijst mijn zusje en mij in de bakfiets. Opeens zie ik de meiden weer. Ze zitten op het bankje. Enthousiast zwaai ik en roep hen toe: “tot gauw!”

  • Trappers

    Van mijn ouders heb ik afgelopen week een hagelnieuw loopfietsje gekregen. Zomaar. Het addertje onder het gras; ze willen graag dat ik daarop rondsjees. Op een loopfiets leer je goed je lichaam in balans te houden. Leren fietsen zonder zijwieltjes is daarna een fluitje van een cent. Mijn broers kunnen dat alleen maar beamen.

    Ik keur de loopfiets geen blik waardig. Uit de schuur trek ik de oude Thomas de Trein-fiets van Guus. Ik hijs mezelf op het ding en duw stevig de trappers in. Het lukt me niet de trappers rond te laten gaan. Halverwege de ronde trap ik terug en zet ik opnieuw kracht. Langzaam komt mijn fietsje in beweging. Ik fiets!

  • Kinderarbeid

    Het is even na vijven in de nacht. Ik ben wakker en klaar voor alweer een drukke dag. Mijn sirene gaat af. Mijn moeder haast zich naar mijn kamer. We moeten subiet aan de slag. Alleen de anderen mogen nog even in dromenland blijven. Beneden dekt mijn moeder de tafel en ruimt de vaatwasser uit. Ondertussen pak ik de sinaasappelen voor een lekkere jus. Mijn moeder smeert de boterhammen en schilt het fruit voor de lunchbox van mijn broers. In de pan op het fornuis ligt mijn eitje te bakken. Om half zeven wacht mijn volgende taak; ik wek mijn vader en broers.

    Een paar uur later zitten mijn broers op school. Nu is het tijd om boodschappen te doen. In de supermarkt ren ik meteen naar het rek met de scanners. Ik weet precies hoe het moet; nog geen halve minuut later heb ik een werkend exemplaar in mijn handen. Mijn moeder houdt de streepjescode voor mijn neus en ik doe mijn ding. Zo af en toe kom ik een collega-peuter tegen. We rennen door de gangen en rusten uit voor de kindercomputer. Voor we vertrekken, check ik of we de meest essentiële dingen hebben; koekjes, chocolade en mijn beloning; het croissantje.

    Aan het begin van de middag komt mijn vader thuis. Het is tijd om te lunchen. Veel werk heeft mijn moeder aan mij niet; ik smeer mijn eigen boterhammetje met pindakaas. Dan snoep ik het beleg van het brood. Met een scheef oog kijk ik naar de kom waaruit mijn vader soep eet. Ik geloof dat ik nog ruimte heb voor een tweede lunch. Als we klaar zijn, vraag ik mijn moeder om de stofzuiger. Ze haalt ‘m en stopt de stekker in het stopcontact. Ik werk me in het zweet. Bij Noor haar stoel ben ik het langst bezig. Ze mag dan de kleinste zijn; ze is wel de grootste knoeipot!

    Ons resten nog twee uurtjes voordat we naar school moeten. Tot die tijd moet ik mijn zusje bezighouden. Mijn moeder heeft net al met haar wat kinderboekjes doorgenomen. Ik kruip achter haar aan de woonkamer door. Zo af en toe tackle ik haar. Noor lacht zich een kriek. Plotseling krijg ik mijn brandweerauto in het vizier. En ik ben niet de enige. Tegelijkertijd vliegen we erop af. Noor mag echter alleen toekijken hoe ik een reddingsactie simuleer. Dan is het tijd om te vertrekken. Ik haal mijn schoenen en jas. Mijn zusje vergeet ik niet; ik geef haar haar jas en sokken aan.

    Vroeg op de avond is mijn werkdag voorbij. Noor en ik douchen samen met mijn moeder. Mijn vader neemt Noor aan, verzorgt haar en brengt haar naar bed. Ik voel een lekkere warme handdoek om mijn verkleumde lijfje. Dan pakt mijn moeder het boekje van Dikkie Dik en Poes Muis. Samen kijken we naar de plaatjes. De tekst kan ik zelf ondertussen zonder problemen opdreunen. Mijn vader komt mij nog een kus geven. Na een dikke knuffel van mijn moeder lig ik in bed. Het is nu zaak mezelf op te laden voor morgen; dan wacht weer net zo’n loodzware dag als vandaag.

     

  • Poesje mauw

    Mijn favoriete dier bij uitstek is wel de poes. Ik bof dat even verderop bij ons in de straat een exemplaar woont dat zich graag onder de mensen begeeft. Het lijkt soms wel alsof hij op me zit te wachten. Ik mag hem dan even aaien. Helaas overspeel ik mijn hand vrijwel direct; ik ren achter hem aan terwijl ik luidkeels zijn naam roep. Hij verstopt zich onder een nabij geparkeerde auto en wacht geduldig totdat mijn moeder mij van de plaats delict wegsleept. Ons rendez-vous loopt trouwens niet altijd zo goed af. Blijf ik mij bij hem opdringen, dan mag ik wel een tik verwachten.

    Mijn oom in Limburg heeft twee rode katers. Wanneer ik op bezoek ben bij oma Teun, ga ik met mijn broers vaak even bij hen kijken. James zwerft meestal buiten rond; Theo is gelukkig een echte huiskat. Zodra laatstgenoemde mij echter in het vizier krijgt, wil hij maar al te graag naar buiten. Soms is mijn oom hem net iets te snel af; hij doet het kattenluik dan op slot. Snel pak ik de speelstok en ren achter Theo aan. Ik sla hem met het pluizige uiteinde van de stok op zijn kop. De ongelukkige weet niet wat hem overkomt; hij onderneemt geen enkele poging om zich te verdedigen.

    Ik vraag me af hoe het leven als poes eruit zou zien. ’s Morgens kruip ik bij mijn moeder in bed. De ene keer vlei ik me naast haar neer; de andere keer lig ik bovenop haar. Ik begin dan heel zacht te mauwen. Ze speelt het spelletje maar al te graag mee. Ik krijg een aai over mijn bol en een kriebel achter mijn oren. Dan is het echt tijd om op te staan. Mijn moeder kleedt mij aan en maakt een smakelijk hapje klaar. Deze poes moet zo dadelijk zijn broers naar school begeleiden. Ik verheug me op het dagelijkse uitstapje;  ik ben namelijk niet echt een kat voor de vensterbank.

    Op school gedraag ik mij als een voorbeeldige peuter. Ik trek mijn jas uit, laat het op de grond vallen en duik de huishoek in. Op het teken van mijn moeder neem ik afscheid van mijn broers en vertrekken wij samen naar huis. Daar laat ik me weer op vier poten vallen. Het knuffelkonijn neem ik in mijn bek en zeul het zo de hele kamer door. Mijn moeder probeert me de trofee afhandig te maken. Ik laat me echter niet zomaar mijn smakelijk hapje afpakken. Even later kruip ik weer naar haar toe en geef haar een goede lik in haar gezicht. Gelukkig kan ze erom lachen.

    Onderaan de flat waarin oma R. en oma G. wonen, staat onze blauwe bus geparkeerd. Mijn moeder probeert Guus uit zijn autostoel te bevrijden. Ondertussen reageert ze op het gemiauw dat haar oren registreren. Ze blijft herhalen dat ze me zo komt bevrijden. Ik moet me even kalm houden. Nog heel even. Ik heb echter geen flauw idee waar ze het over heeft. Of tegen wie ze überhaupt praat. Dan voelt mijn moeder een harig kopje tegen haar been strijken. Ze bemerkt meteen haar vergissing. Heel menselijk, van een echt poezenbeest ben ik nauwelijks te onderscheiden.

  • Zelfbediening

    Het is woensdagochtend; tijd voor de tussenwekelijkse boodschappen. Mijn zusje en ik zitten in de winkelwagen. Mijn moeder duwt de wagen voor zich uit en laadt ondertussen allerlei lekkere en minder lekkere artikelen in. Mijn oog valt op de kartonnen verpakking met heerlijk pure chocolaatjes erin. Bij de kassa haalt mijn moeder weer alle boodschappen uit de winkelwagen en legt ze op de lopende band. Opeens heeft ze een lege wikkel in haar handen. Verbaasd kijkt ze op. Met een mond vol chocolade en een grote grijns op mijn gezicht kijk ik terug. Ik ben alvast begonnen……

  • Plat

    Vandaag vertrekken wij bijtijds om mijn broers van school te halen. Het is prachtig weer en ik wil graag wandelen. Mijn moeder zet mijn zusje in de bakfiets. Ik loop voorop, richting het stoplicht. Onderweg sta ik plotseling een aantal keren stil. Dan voel ik de bakfiets van mijn moeder tegen mijn rug. Ze waarschuwt me telkens; het gaat een keer mis. Bij het stoplicht tilt ze me op. Ik duw op het knopje van het verkeerslicht. Mijn moeder zet me neer en loopt terug naar haar bakfiets. Dan verschijnt het groene mannetje. Zonder nadenken duwt ze haar bakfiets de straat op. Dan kijkt ze om haar heen. Ze is me kwijt. Dat kan kloppen; ik lig namelijk onder haar bakfiets.

  • Waterpokken op herhaling

    Ze zitten er weer; die akelige rode stippen. Vorig jaar rond deze tijd wilde ik leren lopen. Toen zaten ze op mijn benen en onder mijn voeten. Dus besloot ik maar weer kruipend door het leven te gaan. Nu zitten de krengen overal; op mijn buik, op mijn gezicht en op mijn rug. Eigenlijk overal waar ze vorig jaar niet te zien waren. De huisarts zegt dat ik een zeldzaam geval ben; een normaal mens krijgt het maar eenmaal te verduren. Ik lijd nu samen met mijn zusje, die ook helemaal gestipt is. Nu maar hopen dat waterpokken geen derde leven hebben. Ook niet in zeldzame gevallen.

  • Plasje

    – ik vandaag opeens heel stilletjes in het zwembadje stond;
    – mijn moeder meteen in de gaten had dat ik moest poepen;
    – zij mij razendsnel op het potje heeft neergezet;
    – ik een mooi drolletje daarin heb gelegd;
    – ik een lekker ijsje als beloning heb gekregen;
    – ik nog geen vijf minuten daarna een plasje op de grond heb gedaan.

     

  • Broodje zielig

    Als een dolle ren ik rondjes op de parkeerplaats van de lokale supermarkt. In mijn handje houd ik een lekker kaascroissant vast. Mijn moeder zet intussen de boodschappen in de bakfiets. Vervolgens hijst ze Guus in het zitje achterop. Ze roept me dat we naar de trein gaan kijken. Ik zet meteen koers richting de bakfiets. Dan struikel ik over mijn eigen voeten. Languit lig ik op mijn snufferd. Het broodje ligt enkele centimeters voor me. Snikkend betoon ik mijn medeleven: ” broodje auw.”

  • Krukje

    Op de gang bij ons thuis staat een wit, plastic krukje. Het ding is afkomstig uit een groot Zweeds woonwarenhuis. MIjn ouders hebben het ooit aangeschaft toen mijn oudste broer zindelijkheidstraining kreeg. Pim is inmiddels zo groot dat hij zonder hulpmiddelen op het toilet kan gaan zitten. Nu heeft Guus ‘m in gebruik. Met belangstelling volg ik de gang van zaken; Guus pakt het krukje, zet het voor het toilet neer en klimt erop. Zo kan hij bij het toilet en bij de wasbak. Dat zet me aan het denken.

    In de trapkast bewaart mijn moeder vooral veel lekkers; koekjes, snoepjes, chips en popcorn. Echt vrijgevig is ze niet. Integendeel, mjn broers en ik zijn van menig dat we wel eens vaker iets te snoepen mogen krijgen. Huilend op de grond voor de kast liggen om haar tot uitdelen te dwingen, leidt niet tot het gewenste resultaat. Ik besluit het heft in eigen handen te nemen. Op de gang pak ik het krukje en zet het voor de trapkast. Nu kan ik aan de klink. Helaas krijg ik de deur niet helemaal open; het krukje staat ervoor.

    Dan valt mijn oog opeens op de mooie lego-auto van mijn oudste broer. Die staat op een plank hoog in de boekenkast. Mijn moeder heeft Pim en Guus geleerd hun spullen op ooghoogte in de kast te zetten. Zo kan ik er niet met mijn grijpgrage handjes aan. Denkt ze. Ik klim van het krukje af en loop ermee naar de boekenkast. Daar zet ik het neer en klim erop. Met glimmende oogjes pak ik de auto vast. Op de achtergrond hoor ik Pim in huilen uitbarsten en om moeders roepen. Snel verstop ik me onder de tafel.

    Boven op mijn kamer bedenk ik later die avond hoe ik mijn nieuw verworven kennis kan toepassen. Lang broeden op een idee hoef ik niet. Aan de muur hangt de wasbak voorzien van een grote kraan. Heel toevallig ben ik dol op spelen met water. Helaas, hier is geen krukje voor handen. Ik kijk mijn kamer rond. In de hoek staat een stoel. Ik schuif hem naar de wasbak, klim erop en zet de kraan vol open. Lang duurt de pret niet; mijn moeder heeft een rader voor kattekwaad. Binnen een minuut is ze boven en draait de kraan snel uit.

    Mijn ouders zijn wel eens boos op mij als ik weer eens van mijn ondernemende kant laat zien. Gelukkig snappen ze ook wel dat het echt niet aan mij persoonlijk ligt. Ik ben nu eenmaal slachtoffer van de situatie; ik ben de jongste van drie zeer slimme en ondernemende jongetjes. Mijn broers doen de hele dag