Het is 7 uur in de avond; het is tijd om te gaan slapen. Mijn moeder zit met mijn zusje op schoot. Ook Noor zal zometeen naar bed moeten. Ik speel nog een beetje met het winkeltje dat op de overloop staat. Dan hoor ik mijn vader de trap op komen. Ik vlucht de bergzolder op en verstop me achter de witte schuifpanelen. Mijn vader speelt het spelletje graag mee. Hij roept: “Bas, Bas, waar ben je?” Ik krijg de slappe lach en piep: ” weg!”
Auteur: S.S.A. Boermans
-
Dief
Mijn moeder kondigt aan dat wij vanavond vissticks eten. Guus barst à la minute uit in tranen. Mijn moeder snapt er niets van; die eet hij toch zo graag? Ze tilt mijn broer op en zet hem op zijn stoel. Hij is inmiddels helemaal hysterisch. Vervolgens tilt mijn moeder mij op en zet me op mijn stoel, naast Guus. Zelf neemt ze op de kop van de tafel plaats. Ze is het gedrag van mij broer nu zat en waarschuwt hem. Guus bedaart en begint te eten. Mijn bordje is inmiddels al leeg. Dan ziet mijn moeder opeens waarom Guus niet aan tafel wilde. Heel stiekem haal ik de stukjes vissticks van zijn bord af en stop ze snel in mijn mond.
-
Wahhhhhh
Boven mijn commode hangt een mooi borduursel. Dat heeft oma Joke gemaakt ter herinnerig aan mijn geboorte. Het thema past mij wel; een grote, rode bus waarin een tiental dieren zitten. Welk dier nu de bus bestuurt, blijft een mysterie. Mijn moeder houdt het maar op een eekhoorn. Hoewel het ook een egel zou kunnen zijn. Mijn moeder oefent vaak met mij de namen van de dieren. De meesten kan ik inmiddels benoemen. De leeuw vind ik het leukst. Ik wijs hem aan en mijn moeder zegt: ” leeuw”. Dan giechel ik even, herhaal de naam en laat een luide brul horen.
-
Speenloos
Het was ook een beetje overdreven; dag en nacht liep ik met de speen in mijn mond. Het was een beetje genant. Nu daags voor mijn tweede verjaardag neemt mijn moeder het heft in handen. Ik lig ’s avonds in haar armen en weiger te slapen. Ik duw mijn speen in en uit mijn mond. Mijn moeder haalt de speen weg. Eerst denk ik dat ze een grapje maakt, maar het is haar ernst. Ik hou vervolgens een half uur lang het hele huis wakker met mijn gebrul. Daarna val ik in een diepe slaap. De volgende avond vraag ik mijn moeder of ik de speen mag terughebben. Dat mag niet. De derde avond ben ik al helemaal vergeten dat ik ooit dat vieze ding in mijn mond heb gehad. Ik knuffel mijn konijntje en vraag aan mijn moeder of ze me in het bedje wil leggen. Dat mag. Al snel daarna ben ik naar dromenland vertrokken.
-
Bamihap(pen)
Doodmoe zit ik op mijn stoel te wachten op het avondeten. We zijn net terug uit het zwembad. Voor het gemak hebben mijn ouders de frituurpan aangezet. Mijn vader komt de kamer in met een bak vol met frietjes. Iedereen krijgt een ruime portie op zijn bord. Mijn broers vallen als een stel hongerige leeuwen aan. Ik zuig rustig aan mijn speen en laat de frietjes voor wat ze zijn. Een tiental minuten later serveert mijn vader de snacks uit. Op mijn bordje ligt naast de koud geworden frietjes een heerlijk bamiblok te walmen. Enthousiast trek ik de speen uit mijn mond en roep: “ happen!”
-
Al Bassy
Stelt u zich voor; een hoekwoning gelegen aan een drukke doorgaande weg in het lieflijk plaatsje B. Vanuit het zolderkamertje geef ik leiding aan een terroristisch cel. Iedereen tussen de 18 en 48 maanden oud moedig ik aan om lid te worden van mijn groepering. De andere criteria; de kandidaat moet bijvoorbeeld in staat zijn ’s nachts een heel huishouden wakker te houden. Ikzelf hanteer altijd vaste tijden waarop ik mijn ouders drill. Zo rond 02.00 uur, om 04.00 uur en tenslotte om 05.30 uur. Mijn persoonlijk tip: niet huilen en schreeuwen als je ook krijsen kunt.
De ideale kandidaat weet van nature hoe hij/zij het ontbijt moet verstieren. Ikzelf hang bij voorkeur graag aan de rok van mijn moeder. Het is een pure machtstrijd die ik uiteindelijk altijd win. Mijn moeder heeft ’s ochtends te veel te doen om ook nog een dreinende peuter zijn plaats te wijzen. Dus zit ik al snel op mijn billen op het aanrecht en gooi de vieze schillen van de sinaasappelen op de grond. Een extra taakje voor moeders. Als zelfverklaarde troonopvolger eis ik het eerste glas op. Dan wl ik per se nog een tweede; de rest van het kroost moet het maar doen met wat nog over is.
Juist, het andere kroost. Broertjes en zusjes zijn targets bij uitstek als het gaat om het uitvoeren van terroristische missies. Hoe meer, hoe beter zeg ik altijd maar. De mogelijkheden om hen het leven te verzieken zijn legio; het haar van de barbi-pop afknippen, de toren van duplo-stenen neermaaien en autootjes inpikken. Als aanstaand-lid van mijn terroristsche organisatie moet hij/zij aanleg hebben om meesterlijke plannen te bedenken. De meeste inspriatie doe ikzelf trouwens op tijdens mijn time-out in de box. Dan heb ik goed overzicht over de zwakke plekken.
Een prima gelegenheid om terroristische activiteiten te bezigen, is het tripje buiten de deur. Het medelid in spé dient het meeliften in de zogeheten buggy’s ten alle tijden te boycotten. Het is gewoon een list bedacht door ouders en uitgevoerd door producenten van wandelwagens. De riemen met clips die niemand kan openen, ontnemen iedere mogelijkheid om een uitstapje naar de markt of de winkel totaal te verzieken. Denkt u hier even over na; van een huilend kind staat niemand te kijken. Een kind dat alles uit de schappen trekt, trekt des te meer aandacht.
-
De pianoman
Mijn vader is een plaatselijke beroemdheid; hij is dé ster van het Baarns Mannenkoor. Iedere maandagavond loopt hij, gewapend met zijn liederenboek, om half 8 de deur uit. Tot een uur of 10 zingt hij met een groep hoogbejaarde mannen het hoogste lied. Mijn vader is nog maar een broekie met z’n 50 jaar, kan ik u zeggen. Een paar keer per jaar treedt dit illustere gezelschap op. Helaas zijn kleine kinderen lang niet altijd welkom; de muziek is veel te hard voor onze kleine oren. Bovendien zijn wij nu eenmaal een grote stoorzender bij dit soort gelegenheden.
Vandaag is echter open repetitie. Belangstellenden kunnen komen kijken en horen of het koor misschien een nieuwe hobby voor hen kan zijn. Na afloop mogen wij even naar onze papa komen luisteren. Mijn moeder bereidt ons voor op ons uitje. Ze hijst mij in de jas, helpt Guus in zijn laarzen, maakt de fles voor Noor klaar en haalt het fietsje van Pim uit de schuur. We zijn klaar voor vertrek. Ik dribbel achter mijn moeder aan terwijl mijn broers al lang en breed de straat uit zijn. Gelukkig bevindt het clubhuis van mijn vader zich slechts enkele straten verderop.
Bij binnenkomst herken ik mijn papa onmiddelijk; hij is de enige zonder wit haar en kunstgebit. Ik ren enthousiast op hem af en kruip op zijn schoot. Samen kijken we in zijn liederenboek. Dan klinkt opeens luid gezang. Ik schrik me een hoedje, laat me van mijn vader’s schoot afglijden en ren naar mijn moeder. Ze is druk bezig Guus gerust te stellen. Hij heeft last van zijn oren en wil onmiddelijk naar huis. In de wandelwagen ligt mijn zusje luid te jammeren. Het harde geluid deert haar niet, haar lege maag des te meer.
Tien minutenlang ben ik in hevig gevecht met mezelf verwikkeld; ik wil bij mijn papa zijn maar het aantal decibel om hem heen bevalt me niet. Ik ren van mijn vader naar mijn moeder en vice versa. Daar word ik wel een beetje moe van. Ik onderbreek mijn loopje om bij de piano uit te rusten. De meneer op de kruk nodigt mij uit om met hem samen te pingelen. In eerste instantie weiger ik. Dan ga ik toch overstag. Terwijl de meneer zijn deuntje speelt, zorg ik voor de speciale mzuiekeffecten tussendoor. Hilariteit alom!
Al snel ben ik alle schaamte en angst voorbij. Ik til mijn muzikaliteit naar een hoger niveau en voeg me bij de dirigent. Die lijkt even de kluts door mijn aanwezigheid. Ik kopieer zijn wilde gebaren. De Baarnse zangers liggen in een deuk. Een
-
Kievit
Rond mijn allereerste verjaardag liep ik langs de bank op en kon makkelijk van de bank naar de salontafel komen. Mijn ouders waren content; ik lag precies op schema met mijn oudere broers. Zo af en toe maakten ze even tijd vrij om serieus aan de slag te gaan met mijn loperij. Ze gingen dan, op enige afstand, tegenover elkaar op de grond zitten met de benen uit elkaar. Ik moest dan van de een naar de ander lopen. Dat ging heel vaak goed. Af en toe werd de spanning een beetje te groot voor mij en liet ik me -uit voorzorg- op de grond vallen. Ik bleef echter stug volhouden.
Het was helaas snel met mijn enthousiasme gedaan toen ik de waterpokken kreeg. Op mijn hele bovenlijf was geen enkel spatje te bekennen; des te meer zaten er op mijn beentjes. Vooral mijn voetzolen waren kleurijk versierd met rode stippen. Geen pretje om op rond te lopen. Mijn broer Guus had de waterpokken op precies dezelfde plek zitten en liep letterlijk de hele dag op zijn teentjes rond. Ik koos eieren voor mijn geld en ging weer kruipend door het leven. Mijn knietjes zagen zo nu en dan wel rood van de pijn maar dat was nog niet zo erg als rondbanjeren op mijn voetjes.
Nu is dat echter heel anders. Van mijn ouders heb ik begin oktober een prachtig paar blauwe, sportieve schoentjes cadeau gekregen. Ik ben zo trots als een pauw want mijn broers hebben vlak daarna ook een paar blauwe voor zichzelf uitgezocht. Nu hoor ik er echt helemaal bij! Deze nieuwe aanwinst heeft mij het laatste duwtje in de rug gegeven. Nu wil ik niets anders dan de hele dag lopen. Ik banjer door de stad heen, wandel met de andere kindjes over het schoolplein en ga in mijn eentje op ontdekkingstocht in het park.
Als we op stap gaan, loop ik naar de trap en ga dan net als mijn broers op de onderste tree zitten. Vlak naast de schoenenkast. Mijn moeder of vader trekt ons één voor één onze prachtige schoenen aan. Dan sta ik op en loop als een kievit door het huis. Ik stamp met mijn voetjes op de grond. Het gedreun klinkt als muziek in mijn oren; ik kan lopen! Sterker nog, ik kan rennen. Mijn broers jaag ik overal achterna; rond het kookeiland, rond de grote eettafel en om de salontafel heen. We lachen ons een kriek!
Ik ben erg in mijn nopjes met mijn nieuw verworven vrijheid. Ook mijn ouders zijn blij dat ze mij niet altijd meer op de arm of schouders hoeven mee te dragen. Toch betekenen mijn stapjes niet alleen maar rozegeur en maneschijn; mijn ouders hebben nu de grootste moeite om mij in het gareel te houden. Ik loop alle kanten op behalve de kant die zij in gedachte hadden. Als ze verlaat zijn, hoeven ze niet meer te rekenen op mijn medewerking; ik laat mij niet meer oppakken en ik laat mij al zeker niet opjagen.
-
Vierde tand
De hele week ben ik al niet te genieten. Mijn ouders verzinnen de meest wilde theoriën waarom ik niet wil slapen ’s nachts en overdag alleen maar hangerig ben. De realiteit is minder spectaculair; ik heb er gewoon een kies rechtsboven bij. Wel een beetje vreemde situatie; ik heb nu twee voortanden en twee kiezen. Die laatstgenoemde zou ik eigenlijk pas op het eind van de rit moeten krijgen. Toch zitten ze er al.
-
Hét vingertje
Mijn moeder heeft een wijsvinger waar ze heel vaak mee zwaait. In mijn richting, wel te verstaan. Dat komt omdat ik heel erg slecht naar mijn moeder luister. Ik doe namelijk graag waar ik zin in heb op dat moment.
Mijn oudere broers zijn bijvoorbeeld vaak met elkaar aan het ravotten. Ik meng me graag in dat onderonsje. Alleen ben ik natuurlijk nog niet zo goed bekend met de spelregels. Als een van de heren onderop ligt en toevallig met zijn gezicht vlakbij me is, trek ik graag aan zijn haren of sla op zijn bol. Als een soort van toegift. Mijn moeder waarschuwt me dan dat niet te doen. Ze roept een paar keer mijn naam totdat ik mijn aandacht van het spel heb kunnen verleggen. Dan zwaait ze met haar wijsvinger onheilspellend in mijn richting.
Mijn broers doen nog meer dingen die ik ook erg leuk vind. Zo kruipen ze vaak achter de bank om zich te verstoppen voor mijn ouders of voor elkaar. Ook hangen ze regelmatig over de leuning om naar ons electronisch fotolijstje te kijken, dat in de vensterbank staat. Ik zou graag willen meedoen; gewoon lekker hangen met de jongens. Van mijn moeder mag ik dat echter niet doen. Zodra mijn voetjes zich van het bankkussen hebben afgezet en ik vrolijk over de leuning hang, klinkt mijn naam alweer door de woonkamer. Ik laat me dan met tegenzin terugglijden en kijk in de richting van mijn moeder. Haar wijsvinger zwaait wederom heftig heen en weer in de lucht.
Mijn moeder is het trouwens ook zelf schuld dat haar wijsvinger zo hard moet werken. Vaak laat ze de keukenkast openstaan als ze de vaatwasser aan het uitruimen is. Voor haar eigen gemak uiteraard. Ik maak dan dankbaar gebruik van het moment om de hele keukenkast weer uit te ruimen. De borden trek ik er één voor één weer uit. Zolang het de plastic borden zijn die ik uitruim, kan mijn moeder nog om mijn kunsten lachen. Zodra ik echter de breekbare exemplaren in mijn handjes neem, overschrijd ik blijkbaar een grens. De wijsvinger gaat weer de lucht in en beweegt heftig op en neer. Dit mag dus ook niet.
Van al dat gezwaai met die vinger ben ik inmiddels wel erg baldadig geworden. Als mijn moeder nu met haar wijsvinger zwaait, zwaai ik gewoon terug met mijn eigen kleine wijsvinger. Met een hele ondeugende lach op mijn gezicht!