Categorie: 2014

  • Kievit

    Rond mijn allereerste verjaardag liep ik langs de bank op en kon makkelijk van de bank naar de salontafel komen. Mijn ouders waren content; ik lag precies op schema met mijn oudere broers. Zo af en toe maakten ze even tijd vrij om serieus aan de slag te gaan met mijn loperij. Ze gingen dan, op enige afstand, tegenover elkaar op de grond zitten met de benen uit elkaar. Ik moest dan van de een naar de ander lopen. Dat ging heel vaak goed. Af en toe werd de spanning een beetje te groot voor mij en liet ik me -uit voorzorg- op de grond vallen. Ik bleef echter stug volhouden.

    Het was helaas snel met mijn enthousiasme gedaan toen ik de waterpokken kreeg. Op mijn hele bovenlijf was geen enkel spatje te bekennen; des te meer zaten er op mijn beentjes. Vooral mijn voetzolen waren kleurijk versierd met rode stippen. Geen pretje om op rond te lopen. Mijn broer Guus had de waterpokken op precies dezelfde plek zitten en liep letterlijk de hele dag op zijn teentjes rond. Ik koos eieren voor mijn geld en ging weer kruipend door het leven. Mijn knietjes zagen zo nu en dan wel rood van de pijn maar dat was nog niet zo erg als rondbanjeren op mijn voetjes.

    Nu is dat echter heel anders. Van mijn ouders heb ik begin oktober een prachtig paar blauwe, sportieve schoentjes cadeau gekregen. Ik ben zo trots als een pauw want mijn broers hebben vlak daarna ook een paar blauwe voor zichzelf uitgezocht. Nu hoor ik er echt helemaal bij! Deze nieuwe aanwinst heeft mij het laatste duwtje in de rug gegeven. Nu wil ik niets anders dan de hele dag lopen. Ik banjer door de stad heen, wandel met de andere kindjes over het schoolplein en ga in mijn eentje op ontdekkingstocht in het park.

    Als we op stap gaan, loop ik naar de trap en ga dan net als mijn broers op de onderste tree zitten. Vlak naast de schoenenkast. Mijn moeder of vader trekt ons één voor één onze prachtige schoenen aan. Dan sta ik op en loop als een kievit door het huis. Ik stamp met mijn voetjes op de grond. Het gedreun klinkt als muziek in mijn oren; ik kan lopen! Sterker nog, ik kan rennen. Mijn broers jaag ik overal achterna; rond het kookeiland, rond de grote eettafel en om de salontafel heen. We lachen ons een kriek!

    Ik ben erg in mijn nopjes met mijn nieuw verworven vrijheid. Ook mijn ouders zijn blij dat ze mij niet altijd meer op de arm of schouders hoeven mee te dragen. Toch betekenen mijn stapjes niet alleen maar rozegeur en maneschijn; mijn ouders hebben nu de grootste moeite om mij in het gareel te houden. Ik loop alle kanten op behalve de kant die zij in gedachte hadden. Als ze verlaat zijn, hoeven ze niet meer te rekenen op mijn medewerking; ik laat mij niet meer oppakken en ik laat mij al zeker niet opjagen.

  • Hét vingertje

    Mijn moeder heeft een wijsvinger waar ze heel vaak mee zwaait. In mijn richting, wel te verstaan. Dat komt omdat ik heel erg slecht naar mijn moeder luister. Ik doe namelijk graag waar ik zin in heb op dat moment.

    Mijn oudere broers zijn bijvoorbeeld vaak met elkaar aan het ravotten. Ik meng me graag in dat onderonsje. Alleen ben ik natuurlijk nog niet zo goed bekend met de spelregels. Als een van de heren onderop ligt en toevallig met zijn gezicht vlakbij me is, trek ik graag aan zijn haren of sla op zijn bol. Als een soort van toegift. Mijn moeder waarschuwt me dan dat niet te doen. Ze roept een paar keer mijn naam totdat ik mijn aandacht van het spel heb kunnen verleggen. Dan zwaait ze met haar wijsvinger onheilspellend in mijn richting.

    Mijn broers doen nog meer dingen die ik ook erg leuk vind. Zo kruipen ze vaak achter de bank om zich te verstoppen voor mijn ouders of voor elkaar. Ook hangen ze regelmatig over de leuning om naar ons electronisch fotolijstje te kijken, dat in de vensterbank staat. Ik zou graag willen meedoen; gewoon lekker hangen met de jongens. Van mijn moeder mag ik dat echter niet doen. Zodra mijn voetjes zich van het bankkussen hebben afgezet en ik vrolijk over de leuning hang, klinkt mijn naam alweer door de woonkamer. Ik laat me dan met tegenzin terugglijden en kijk in de richting van mijn moeder. Haar wijsvinger zwaait wederom heftig heen en weer in de lucht.

    Mijn moeder is het trouwens ook zelf schuld dat haar wijsvinger zo hard moet werken. Vaak laat ze de keukenkast openstaan als ze de vaatwasser aan het uitruimen is. Voor haar eigen gemak uiteraard. Ik maak dan dankbaar gebruik van het moment om de hele keukenkast weer uit te ruimen. De borden trek ik er één voor één weer uit. Zolang het de plastic borden zijn die ik uitruim, kan mijn moeder nog om mijn kunsten lachen. Zodra ik echter de breekbare exemplaren in mijn handjes neem, overschrijd ik blijkbaar een grens. De wijsvinger gaat weer de lucht in en beweegt heftig op en neer. Dit mag dus ook niet.

    Van al dat gezwaai met die vinger ben ik inmiddels wel erg baldadig geworden. Als mijn moeder nu met haar wijsvinger zwaait, zwaai ik gewoon terug met mijn eigen kleine wijsvinger. Met een hele ondeugende lach op mijn gezicht!

  • Witheet

    Sinds de dag dat ik rondkruip en mezelf hier en daar omhoog hijs, zakt mijn populariteit in huize Everts razendsnel naar een dieptepunt. Ik mag nergens aankomen; ik mag met niemand meespelen. Pim roept altijd mijn moeder als ik hem in de weg zit. Of ze me alsjeblieft in de box wil opbergen. Daar kan ik toch zo boos om worden! Als een speenvarken gil ik door radio en televisie heen; met al mijn kracht trek ik zijn pas aangelegde treinrails uit elkaar. Gelukkig geeft mijn moeder niet zo vaak gehoor aan Pim zijn noodkreet. Hij moet maar leren leven met (tw)ee(n) klein(e) broertje(s), is haar motto.

    Guus doet ook al zo onsportief. Hij speelt vaak met Thomas de Trein of met de auto’s. Laat dat nou net het speelgoed zijn waar ook mijn voorkeur naar uitgaat. Dat zou dan toch eigelijk een band moeten scheppen tussen twee broers. Niets is minder waar. Mijn broer wil alle treintjes en auto’s voor zichzelf hebben. Als ik aan kom kruipen om met hem mee te spelen, verzamelt hij snel alle mooie exemplaren en houdt ze dicht tegen zich aan. Dan schreeuwt hij om mijn moeder. Daar kan ik toch zo boos om worden! Ik gil het uit, trek de treintjes uit zijn handen en sla met diezelfde treintjes op Guus in. Van mijn moeder krijg ik dan een standje. Mijn broer legt ze uit dat hij ook moet leren delen met zijn kleine broertje.

    Mijn vader werkt vaak op de lap top als hij in de woonkamer zit. Dat zou ik ook wel graag willen. Ik kruip dan naar hem toe, hijs mezelf aan zijn been omhoog en geef van een verdieping lager commentaar op zijn elektronische handelingen. Liever zit ik natuurlijk met mijn neus op het scherm. Zo af en toe heb ik geluk. Dan pakt mijn vader mij op en zet me op zijn schoot. Ik mag meekijken maar nergens aankomen met mijn handjes. Dat blijkt in de praktijk nog niet zo eenvoudig te zijn. Ik wil graag laten zien hoe goed ik met het magische apparaat kan omgaan. Dan dumpt mijn vader mij in de box. Daar kan ik toch zo boos om worden! Ik gooi mijn speen en konijn uit de box, gevolgd door de blokken en mijn radiootje. Mijn moeder moet lachen en herinnert mijn vader aan het gezegde ” zo vader, zo zoon”. Hij moet maar accepteren dat hij niet de enige nerd hier in huis is.

    Vandaag is mijn moeder de pineut. Ik ben erg moe en hang al de hele middag aan haar rok. Ik wil opgetild worden en meekijken naar wat ze aan het brouwen is in de keuken. Mijn moeder wil best wel medewerking verlenen aan mijn wens. Vervolgens zit ik op haar heup en kijk ik mee in de pan. Plotseling grijp ik naar de spatel. Dat mag niet van mijn moeder. Dan probeer ik het handvat van de loeihete pan te pakken. Dat vind mijn moeder ook geen goed idee. Sterker nog, ze is mijn pottenkijkerij meer dan zat. Ze marcheert naar de woonkamer en zet me tussen de speelgoedauto’s neer. Binnen een paar tellen staat ze weer in de keuken. Ik ontsteek in grote woede; mijn gezicht trekt wit weg en het stoom komt uit mijn oren. Dan gooi ik mezelf plat op de grond. Een twintigtal minuten blijf ik liggen en krijs zo hard als ik kan.

    Ondertussen kijk ik met een schuin oog richting de keuken. Mijn moeder volgt met belangstelling het tafereel. Ze maakt echter geen aanstalten om me op te pakken, te knuffelen en mijn boosheid te sussen met begripvolle woorden. Dan geef ik het op. Ik hijs mezelf weer in zithouding, pak een treintje en speel verder met de duplo rails. Mijn eerste echte woedeaanval is voorbij. Ik ben nu weer rustig.