Rond mijn allereerste verjaardag liep ik langs de bank op en kon makkelijk van de bank naar de salontafel komen. Mijn ouders waren content; ik lag precies op schema met mijn oudere broers. Zo af en toe maakten ze even tijd vrij om serieus aan de slag te gaan met mijn loperij. Ze gingen dan, op enige afstand, tegenover elkaar op de grond zitten met de benen uit elkaar. Ik moest dan van de een naar de ander lopen. Dat ging heel vaak goed. Af en toe werd de spanning een beetje te groot voor mij en liet ik me -uit voorzorg- op de grond vallen. Ik bleef echter stug volhouden.
Het was helaas snel met mijn enthousiasme gedaan toen ik de waterpokken kreeg. Op mijn hele bovenlijf was geen enkel spatje te bekennen; des te meer zaten er op mijn beentjes. Vooral mijn voetzolen waren kleurijk versierd met rode stippen. Geen pretje om op rond te lopen. Mijn broer Guus had de waterpokken op precies dezelfde plek zitten en liep letterlijk de hele dag op zijn teentjes rond. Ik koos eieren voor mijn geld en ging weer kruipend door het leven. Mijn knietjes zagen zo nu en dan wel rood van de pijn maar dat was nog niet zo erg als rondbanjeren op mijn voetjes.
Nu is dat echter heel anders. Van mijn ouders heb ik begin oktober een prachtig paar blauwe, sportieve schoentjes cadeau gekregen. Ik ben zo trots als een pauw want mijn broers hebben vlak daarna ook een paar blauwe voor zichzelf uitgezocht. Nu hoor ik er echt helemaal bij! Deze nieuwe aanwinst heeft mij het laatste duwtje in de rug gegeven. Nu wil ik niets anders dan de hele dag lopen. Ik banjer door de stad heen, wandel met de andere kindjes over het schoolplein en ga in mijn eentje op ontdekkingstocht in het park.
Als we op stap gaan, loop ik naar de trap en ga dan net als mijn broers op de onderste tree zitten. Vlak naast de schoenenkast. Mijn moeder of vader trekt ons één voor één onze prachtige schoenen aan. Dan sta ik op en loop als een kievit door het huis. Ik stamp met mijn voetjes op de grond. Het gedreun klinkt als muziek in mijn oren; ik kan lopen! Sterker nog, ik kan rennen. Mijn broers jaag ik overal achterna; rond het kookeiland, rond de grote eettafel en om de salontafel heen. We lachen ons een kriek!
Ik ben erg in mijn nopjes met mijn nieuw verworven vrijheid. Ook mijn ouders zijn blij dat ze mij niet altijd meer op de arm of schouders hoeven mee te dragen. Toch betekenen mijn stapjes niet alleen maar rozegeur en maneschijn; mijn ouders hebben nu de grootste moeite om mij in het gareel te houden. Ik loop alle kanten op behalve de kant die zij in gedachte hadden. Als ze verlaat zijn, hoeven ze niet meer te rekenen op mijn medewerking; ik laat mij niet meer oppakken en ik laat mij al zeker niet opjagen.