Categorie: 2016

  • Konijnenjacht

    Van mijn opa krijg ik een heel speciaal cadeau voor mijn geboorte. Het is een klein bruinkleurig knuffelkonijn met een grappig vlinderdasje om zijn nek. Al snel is hij mijn hartendief. De paniek is dan ook groot als een aantal dagen later mijn konijn van de aardbodem verdwenen lijkt. Mijn moeder zoekt vijf lange dagen in en om ons huis. Dan geeft ze het op. Diezelfde avond doet ze een opmerkelijke ontdekking; het konijn ligt vastgeklemd tussen de muur en mijn bed.

    Na een stevige wandeling van school komt mijn moeder weer thuis. Ik zit in de duowagen naast mijn zusje. Ze merkt vrijwel direct de afwezigheid van mijn konijn op. Snel marcheert mijn moeder terug naar school. Ondertussen krijst mijn zusje het uit; ze heeft honger en wil graag een fles hebben. De prioriteit van mijn moeder ligt nu echter elders. Daar op het plein, op een verkeerspaaltje heeft iemand mijn konijn te vondeling gelegd. Mijn moeder prevelt dankbaar een kort gebed.

    Gewassen en gestreken zit ik naast mijn moeder op de bank in mijn slaapkamer. Ze leest voor uit het grote plaatjesboek. Dan is het hoog tijd voor mij om te gaan slapen. Mijn moeder zoekt naar mijn konijn. Al snel roept ze de hulp van mijn vader in. Zonder bevredigend resultaat. Ten einde raad legt mijn moeder mij zonder mijn vriend in bed. Drie lange dagen speurt ze het huis af. Dan doet mijn oudere broer een vreselijke ontdekking; mijn konijn ligt in de kerker van ons kasteel weggestopt.

    Mijn moeder moet voor een kleine boodschap naar het centrum van ons dorp. Het is een koude maar zonnige middag. Mijn zusje zet ze in de kinderenwagen. Ik mag in de draagdoek op haar rug. Mijn konijn wil ik per se meenemen. Tegen beter weten geeft mijn moeder uiteindelijk toe. Ik moet wel beloven hem stevig vast te houden. Toch zoekt mijn moeder zich even later een ongeluk tussen het winkelende publiek. Op het bankje voor de boekhandel wacht mijn konijn geduldig op ons.

    Mijn moeder is het meer dan zat; mijn konijn moet aan de lijn. Ze tovert een key cord tevoorschijn en knoopt die om de nek van mijn konijn. Witheet van woede trek ik aan de strop. De integriteit van het konijnenlijf staat bij mij hoog in het vaandel. Voor mijn moeder telt alleen haar innerlijke rust. Uiteindelijk bedenkt ze een oplossing; mijn konijn heeft voortaan huisarrest. Dus knuffel ik voor vertrek mijn konijn en leg hem in bed. Daar zit hij wederom zielig en alleen. Maar wel veilig dit keer.

  • In zak en as

    Het is een zeer spannende tijd voor de allerkleinsten onder ons. De goedheiligman is namelijk weer op weg naar Nederland. Op een regenachtige middag versieren mijn moeder en ik de woonkamer; we hangen slingers op en zetten onze knutselwerkjes op de vensterbanken. Ondertussen passen mijn broers de kostuums die horen bij deze feestelijke gelegenheid. Mijn zusje pakt de siercadeautjes uit. Tot slot wijden we ons aan de allerbelangrijkste taak; verlanglijstjes maken.

    Op de dag van de intocht zitten we keurig vier op een rij. We kijken naar de televisie met een bakje pepernoten op schoot. Ik ben laaiend enthousiast als ik de boot de haven van M. zie binnenvaren. Eenmaal aan wal klimt Sinterklaas op zijn paard. Ik laat mijn moeder weten dat ik maar al te graag het witte dier zou willen aaien. Hopelijk kan ze dit voor mij regelen. Het beste paard komt immers binnenkort ook naar ons dorp. De rest van de middag zingen we luidkeels de bekende liederen.

    Mijn zusje verjaart op de dag dat Sinterklaas aanmeert in de haven van ons dorp. Samen met mijn broertjes wacht ik gespannen op het dorpsplein. Ik balanceer op de nek van mijn moeder. Dan trekt een bonte stoet de winkelstraat in. De Zwarte Pieten vullen mijn kinderhandje met pepernoten en schuimpjes. Ik stop het goedje meteen weg in mijn wangzakken. Mijn broertjes bewaren hun vangst in plastic zakjes voor een later moment. Het paard loopt overigens helaas straal langs me heen.

    Op de dag van pakjesavond zetten we koers naar het Zuiden. Naar verluid heeft Sinterklaas per abuis onze cadeau’s bij mijn oma afgeleverd. De sufferd. Onderweg kan ik mijn zenuwen amper bedwingen. Mijn moeder adviseert mij om een middagdutje te doen. Voor deze ene keer luister ik naar haar. Fris en fruitig arriveer ik bij de voordeur van mijn oma. Mijn oudste broer rent meteen langs haar heen richting de garage. Uit ervaring weet hij blijkbaar waar de buit verstopt ligt.

    De rest van de middag spelen we zoet met ons nieuwe speelgoed. Toch slaat op enig moment de verveling bij mij toe. Ik raak voorzichtig de nieuwe lego-aanwinsten van mijn broers aan. Die zijn meteen des duivels. Dan wend ik me tot mijn zusje. Mijn moeder herkent algauw het patroon in mijn gedrag. Ze grijpt me bij mijn kladden en deponeert me in de juten zak van Sinterklaas. Dan slingert ze de zak met inhoud over haar schouder. Voor straf verhuis ik voor een klein jaartje naar Spanje.

  • Jut en Jul

    Buiten schijnt de zon. Mijn zusje en ik spelen in de tuin. Onze broers zijn de hele dag op school. Noor en ik zijn dus min of meer tot elkaar veroordeeld. Soms hebben we het goed samen; soms hebben we slaande ruzie. We verkeren immers beide in de peuterpubertijd. Het enige verschil is dat ik een volleerd peuter ben en mijn zus een beginneling. Helaas voor mij; Noor is erg bij de pinken. Ze leert snel en ze leer het van de beste. We zijn dus een duo-pak explosief materiaal.

    Ik heb het inmiddels warm gekregen van het springen op de trampoline. Gelukkig weet ik instinctief wat mij te doen staat. Ik trek aan mijn kleding en roep mijn moeder. Ze helpt me met het shirt; de rest kan ik tegenwoordig gelukkig zelf. Dan valt mijn oog op mijn mooie rode regenlaarsjes. Poedelnaakt ren ik op mijn laarsjes terug naar de springhoek. Mijn zusje slaat het tafereel gade. Ze wil graag ook van kleding en luier bevrijd worden. Daarna trekt ze de blauwe laarzen van Pim aan.

    Het valt mij op dat op ons terras al de nodige blaadjes liggen. Dat kan zo niet. Ik maan mijn moeder tot actie. Even later zijn we druk aan het vegen. Mijn zusje wil ook en heeft het op mijn bezem voorzien. Mijn moeder geeft haar een handveger. Dat zint haar niet. Ze slaat mij ermee op het hoofd. Ik gil en geef haar een nog grotere klap terug. Mijn moeder tovert twee bijna identieke harken tevoorschijn. Dat is interessant. Gierend van de lach harken we de hoop bladeren weer uiteen.

    Mijn moeder roept ons bij zich. Op de grond voor haar ligt een lieveheersbeestje. Onduidelijk is of het dier nog leeft. Ik doe mijn best om dat te achterhalen. Mijn zusje wil graag ook zo’n eentje om mee te spelen. Ze trekt aan mijn haren en huilt dikke tranen. Ik duw haar zo hard weg dat ze op haar billen landt. Gelukkig ontdekt mijn moeder verderop nog een -levend- exemplaar. Ze pakt ‘m op en legt hem bij zijn collega neer. Tevreden spelen mijn zusje en ik samen met onze tuindiertjes.

    Na de lunch zijn we wederom druk in de tuin. We verkopen ijsjes en hebben ruzie over wie er nu op de trampoline mag. Mijn moeder trakteert ons op een lekker ijs. Ik neem een raketje, Noor kiest een aardbeienijsje. Even verderop staan onze tuinstoeltjes. We ploffen neer en keuvelen gezellig. Ik mag een likje van Noor haar ijs en zij van het mijne. Dan besluiten we te ruilen. Om vervolgens nogmaals van ijs te wisselen. Liefdevol leg ik een arm om mijn zusje heen; we zijn en blijven beste vrienden.jut en jul

  • Brandweerman Bas

    Elke dag mag ik een uurtje naar de televisie kijken van mijn moeder. Zo kan ze ongestoord een klusje in de huishouding doen. Mijn voorkeur gaat uit naar de afleveringen van brandweerman Sam. Hij is de held van een klein stadje en beleeft de meest uiteenlopende avonturen. Na mijn dagelijkse beeldbuisvitaminen ga ik zelf aan de slag. Ik heb inmiddels een hele collectie Sam-items zoals een kazerne en een brandweerauto. Zo kan ik de uitzending nog eens dunnetjes overdoen.

    ’s Ochtends breng ik plichtsgetrouw mijn broertjes naar school. Daarna dirigeer ik mijn moeder naar de grote rotonde nabij de supermarkt met de hamsters. Daar bevindt zich de brandweerkazerne van ons dorp. Ik sta met mijn snoet tegen het raam geplakt. Binnen staat een vijftal brandweerauto’s; vier moderne exemplaren en een (heel)oud besje. Mijn zusje en moeder wachten geduldig bij de bakfiets. Ze weten dat het nog wel even kan duren totdat ik al het moois ervan af gekeken heb.

    In het geheim werkt mijn moeder aan een grote verrassing voor mij. Ze neemt contact op met de brandweer. De commandant in kwestie is zeer verrast door haar verzoek. Hij neemt de zaak zeer serieus en bereidt een heus ontvangst voor. Mijn moeder heeft ook voor al onze buurtjongetjes een uitnodiging geregeld. Die zijn dolenthousiast als ze horen dat we een middag in de kazerne mogen komen kijken. Om het feest compleet te maken, bakt mijn moeder pannenkoeken na afloop.

    In een feestelijke optocht fietsen we met onze buurjongens naar de kazerne. Stipt op tijd opent de commandant de deuren. Ik klamp me als een aapje aan mijn moeder vast. Nu wordt het spannend. Ze moet me naar binnen dragen. Mijn broertjes klimmen enthousiast in de eerste de beste brandweerwagen. Ik wil er echter niets van weten. Ook de uitrusting van de brandweerman wil ik niet aandoen. Ik weiger mijn moeder los te laten. Pas als we buiten staan, ren ik weer vrolijk rond.

    Thuis gaan we meteen aan tafel. De moeder van een buurjongetje helpt ons met de pannenkoeken. Mijn eigen moeder staat in de keuken en werkt zich in het zweet. Zeven jongens eten sneller dan een enkele moeder kan bakken. De stroop plakt aan onze handen en ons haar is spierwit van de poedersuiker. Dan heb ik mijn buik vol. Uit de kast haal ik mijn brandweerauto. Ik ga plat op mijn buik liggen en rol de wagen heen en weer. “Tatuu Tatuu”, klinkt het weer als vanouds uit mijn mond.

  • Moeder overste

    Elke weekdag breng ik mijn broers trouw naar school. Over een jaar mag Noor mij naar mijn stoel begeleiden. Tot dan speel ik voor en na schooltijd met mijn toekomstige klasgenootjes op het plein. Naar alle waarschijnlijk zullen W. en ik in dezelfde klas terechtkomen. Onze moeders hebben dat besloten. W. en ik zijn niet de beste vrienden. Toch hebben we één ding gemeen; we hadden allebei op dezelfde dag het levenslicht moeten zien. Dat schept een band. Tussen moeders althans.

    Heel eerlijk gezegd heb ik medelijden met W. Moeder M. voedt haar kinderen keurig volgens het boekje op. Mijn moeder daarentegen houdt de teugels losjes in de hand. Dat bijt elkaar nogal. Desondanks kunnen ze het goed met elkaar vinden. Bovendien is M. een zeer waardevolle bron van informatie voor mijn moeder. Tussen de middag past ze namelijk op de schoolkinderen op. Zo hoort mijn moeder of mijn broers zich netjes gedragen en hoe ze zich handhaven in de kudde.

    Mijn broers liggen goed in de markt bij M. Ik ben echter de spreekwoordelijke doorn in haar oog. Ze kan het niet verteren dat ik zonder jasje loop. Ook niet als het kwik boven de 18 graden komt. Bovendien vindt ze het een gruwel dat ik graag naakt loop. Mijn moeder heeft haar niet eens verteld dat ik afgelopen kerst in adamskostuum heb gevierd. Ze kijkt wel uit. Voor ze het weet, vuurt moeder overste een heel salvo opvoedingsadviezen op haar af. Voor de zoveelste keer.

    Op het grote schoolplein ren ik als een dolle hond rondjes. Ik speel krijgertje samen met mijn broers en twee meiden van de hoogste klas. W. staat op zijn step, naast zijn moeder geparkeerd. Waarschijnlijk kijkt hij met afgunst naar het tafereel. Dan verdwijn ik plotseling van de radar bij mijn moeder. Niet voor lang. M. pakt me nog net niet bij mijn nekvel. Met een glimlach retourneert ze me bij mijn moeder. Ze doet haar relaas en adviseert mijn moeder mij goed in de gaten te houden.

    Aan het eind van de middag maakt mijn moeder ons klaar voor vertrek. We gaan Pim en Guus ophalen van school. Ik heb nog energie te over en wil graag lopen. Mijn moeder fietst naast me. Op een drafje volgen we de gebruikelijke route. Vanuit het niets doemt moeder M. op. Voor op haar fiets zit W. veilig ingesnoerd. Ze kletst even met mijn moeder en bewondert mijn lichamelijke inspanning. Dan toont ze onverwacht mildheid tegenover mijn moeder; wat heb je toch een bijzonder kind!”

  • Melkboer

    [st_row][st_column span=”span12″ id_wrapper=”elm_5aa833ee960e2″ ][st_text id_wrapper=”elm_5aa833ee960a0″ ]Vandaag verblijven we in een hippe strandtent ergens aan de kust. Ter ere van het vijfjarige bestaan van een bedrijf genieten we van een hapje en drankje. Op de piano speelt een voormalig deelneemster van een talentenshow een mooi deuntje. Mijn vader kletst even met een bevriend medewerker. Dan roept hij ons bij zich. Ietwat verbaasd kijkt de goede man mij aan. Ik lijk niets op mijn broers en zus, meent deze expert. Mijn moeder glimlacht liefjes maar zwijgt verder.

    Op het schoolplein ploft mijn moeder op het bankje. Ondertussen ren ik rondjes met mijn broers. Dan komt een andere moeder naast haar zitten. Aandachtig bestudeert ze mijn zusje. Haar blik dwaalt af naar mijn witte hoofd. Blijkbaar kan de moeder het niet rijmen. Ze geeft mijn moeder een complimentje over de mooi gebruinde huid van mijn zusje. Dan huppelt onze brons gekleurde Guus ook nog voorbij. De moeder in kwestie wil nu wel eens graag weten waarom ik zo anders ben.

    Later op de middag wacht ik samen met mijn zusje op de komst van mijn broertjes. De moeder van vijf spreekt mijn moeder aan. Het is overduidelijk dat haar kindjes allemaal uit hetzelfde nest komen. Ze praten even over ditjes en datjes. Dan melden mijn broertjes zich. De moeder van vijf kijkt mij doordringend aan. Ze concludeert dat ik nogal een vreemde eend in de bijt ben. Mijn moeder weet even niet of ze het gekscherend bedoelt of niet. Daarom doet ze er wederom het stilzwijgen toe.[/st_text][/st_column][/st_row]

    Op weg naar huis fietst mijn moeder door het park. Mijn broertjes en ik willen hier dolgraag nog even blijven spelen. We sluiten ons aan bij een partijtje voetbal met een andere vader en opa. De oma staat met de moeder langs de zijlijn. Ze is erg nieuwsgierig naar ons gezin. Mijn moeder beantwoordt haar vragen zo goed mogelijk. De interesse gaat vooral uit naar mijn persoontje. Het is duidelijk niet aan haar aandacht ontsnapt dat ik zo anders ben dan de rest van het kroost.

    ’s Avonds neemt mijn moeder mij op schoot. Ze aait over mijn bolletje. Mijn witte haartjes zijn prachtig. Daarom laat ze iedereen maar kletsen. Bovendien heeft mijn moeder een brandschoon geweten, vertrouwt ze me toe. Ik vind het allemaal best. Dan laat ik haar weten dat ik in haar bed wil slapen. Ze legt me in het midden en bedekt me met de deken. Ik verdwijn zowat in de witheid van het beddengoed. Nu valt het nier meer te ontkennen; ik ben wel degelijk van de melkboer!

  • Met twee woorden

    Hysterisch stuiter ik op en neer in bed. Ik heb een leuke doch drukke dag gehad. Nu moet ik ‘m nog verwerken. Mijn moeder pendelt tussen haar eigen bed en dat van mij. Ik ben niet meer tot bedaren te brengen. Dan geeft ze het op. Van het grote zitkussen maakt ze een bed voor zichzelf. Nu kan ik rustig slapen. Verkleumd en krakkemikkig wordt ze tegen het ochtendgloren wakker. Ik daarentegen ben zo fris als een hoentje. ” Goeiemorgen mama,” begroet ik haar opgewekt.

    Met hulp van mijn moeder kleed ik mij aan. Dan mag ik naar beneden. Mijn moeder neemt de orders voor het ontbijt aan. Ik wil graag een tosti. Vijf minuten later serveert mijn moeder uit. Mijn zusje krijgt een gebakken ei. Dat wil ik ook wel. Eerst moet de tosti op, vindt mijn vader. Reden genoeg voor mij om een woedeaanval te krijgen. Heen en weer stuiter ik op mijn stoel. Uiteindelijk kalmeer ik en eet mijn ontbijt op. Ik veeg mijn mond af en bedank de kok; ” lekker, mama.”

    Ik haal mijn schoentjes uit de bak. Mijn moeder helpt me ze aan te trekken. Pim heeft inmiddels de achterdeur opengemaakt. Enthousiast ren ik naar buiten. Op mijn brandweerauto maak ik de hele tuin onveilig. Mijn moeder duwt ondertussen haar bakfiets richting de poort. Ze tilt me op en zet me achterop. Ik heb helemaal geen zin om te gaan. Heen en weer stuiter ik in het zitje. Mijn moeder belooft me iets lekkers bij thuiskomst . Ik droog mijn tranen en maan haar tot actie: “kom, mama.”

    Later op de middag schijnt het zonnetje vrolijk. Ik speel buiten met mijn zusje. Ze ligt op het springkussen te duimen. Ik spring naast haar hard op en neer. We hebben de grootste lol samen. Opeens heb ik een natte broek. Ik ren naar mijn moeder toe. Ze kleedt me uit en zet me boven onder de douche. Vijf minuten later ben ik weer schoon en droog. Mijn stinkende (onder)broek draait inmiddels rondjes in de wasmachine. Ik val mijn moeder om haar nek en betuig spijt: ” sorry, mama.”

  • Broederliefde

    Vroeg op de ochtend is het weer hommeles in huis. Woedend ren ik mijn grotere broer achterna. Hij heeft mijn brandweerauto in zijn hand. Mijn moeder grijpt in en Guus retourneert met tegenzin het voorwerp. Heel even voel ik mij weer helemaal ” zen”. Vanuit mijn ooghoeken zie ik Pim met Optimus Prime spelen. Dat is mijn rescue bot! De auto laat ik uit mijn hand vallen. Als een dolle hond ren ik op mijn oudste broer af. Uit puur lijfsbehoud geeft Pim mij snel het speelgoed terug.

    Gelukkig zitten mijn broers een groot gedeelte van de dag op school. Dat wil niet zeggen dat ik nu in alle rust kan spelen. Mijn zusje vormt een grote bedreiging sinds ze kan kruipen. Ze heeft nogal de neiging om zich met mijn spel te bemoeien. Met name mijn brandweerauto Jupiter vindt ze erg interessant. Als ik haar die niet direct overhandig, trekt ze aan mijn haren of huilt hysterisch. Laat op de ochtend houdt ze haar schoonheidsslaapje. Twee hele uren heb ik mijn speelgoed voor mezelf.

    Bij mijn opa Boermans in België kom ik weer helemaal tot mezelf. Urenlang lig ik op de grond en speel met mijn brandweerkazerne en Jupiter. Met de poppetjes van Sam en Jenny voer ik het ene na het andere toneelstukje over het leven van een brandweerman op. Mijn opa heeft geen kind aan mij. Zo af en toe kijk ik televisie. Ik vind het heerlijk dat ik gewoon kan kijken wat ik zelf wil. Mijn broers behandelen mij altijd als een soort Assepoester als het om de afstandbediening gaat.

    Ik amuseer mij kostelijk bij mijn opa. Hij heeft veel leuke uitstapjes op de planning staan. Zo bezoeken we een indoor speelhal en maken we korte autoritjes door de omgeving. Mijn opa verwent mij de hele dag met crackers met pindakaas en broodjes met chocoladepasta. Mijn arme broers zuchten thuis hoogstwaarschijnlijk onder het suikerarme regime van mijn moeder. Mijn gedachten gaan naar hen uit. Dan neem ik nog een grote slok van mijn mierzoete limonade.

    Toch breekt de stilte me na een paar dagen op. De laatste avond huil ik dikke tranen. Mijn opa weet zich geen raad. Uiteindelijk val ik van vermoeidheid in slaap. De volgende ochtend ben ik rustig. Ik weet dat de verlossing nabij is. Buiten hoor ik de kiezelsteentjes zuchten onder het zware gewicht van onze grote blauwe auto. Ik ren naar de deur. Mijn moeder maakt ‘m voorzichtig open. Dolgelukkig val ik mijn -ietwat verbouwereerde- broertjes in de armen. Ik heb ze zó gemist.

  • Kinderarbeid

    Het is even na vijven in de nacht. Ik ben wakker en klaar voor alweer een drukke dag. Mijn sirene gaat af. Mijn moeder haast zich naar mijn kamer. We moeten subiet aan de slag. Alleen de anderen mogen nog even in dromenland blijven. Beneden dekt mijn moeder de tafel en ruimt de vaatwasser uit. Ondertussen pak ik de sinaasappelen voor een lekkere jus. Mijn moeder smeert de boterhammen en schilt het fruit voor de lunchbox van mijn broers. In de pan op het fornuis ligt mijn eitje te bakken. Om half zeven wacht mijn volgende taak; ik wek mijn vader en broers.

    Een paar uur later zitten mijn broers op school. Nu is het tijd om boodschappen te doen. In de supermarkt ren ik meteen naar het rek met de scanners. Ik weet precies hoe het moet; nog geen halve minuut later heb ik een werkend exemplaar in mijn handen. Mijn moeder houdt de streepjescode voor mijn neus en ik doe mijn ding. Zo af en toe kom ik een collega-peuter tegen. We rennen door de gangen en rusten uit voor de kindercomputer. Voor we vertrekken, check ik of we de meest essentiële dingen hebben; koekjes, chocolade en mijn beloning; het croissantje.

    Aan het begin van de middag komt mijn vader thuis. Het is tijd om te lunchen. Veel werk heeft mijn moeder aan mij niet; ik smeer mijn eigen boterhammetje met pindakaas. Dan snoep ik het beleg van het brood. Met een scheef oog kijk ik naar de kom waaruit mijn vader soep eet. Ik geloof dat ik nog ruimte heb voor een tweede lunch. Als we klaar zijn, vraag ik mijn moeder om de stofzuiger. Ze haalt ‘m en stopt de stekker in het stopcontact. Ik werk me in het zweet. Bij Noor haar stoel ben ik het langst bezig. Ze mag dan de kleinste zijn; ze is wel de grootste knoeipot!

    Ons resten nog twee uurtjes voordat we naar school moeten. Tot die tijd moet ik mijn zusje bezighouden. Mijn moeder heeft net al met haar wat kinderboekjes doorgenomen. Ik kruip achter haar aan de woonkamer door. Zo af en toe tackle ik haar. Noor lacht zich een kriek. Plotseling krijg ik mijn brandweerauto in het vizier. En ik ben niet de enige. Tegelijkertijd vliegen we erop af. Noor mag echter alleen toekijken hoe ik een reddingsactie simuleer. Dan is het tijd om te vertrekken. Ik haal mijn schoenen en jas. Mijn zusje vergeet ik niet; ik geef haar haar jas en sokken aan.

    Vroeg op de avond is mijn werkdag voorbij. Noor en ik douchen samen met mijn moeder. Mijn vader neemt Noor aan, verzorgt haar en brengt haar naar bed. Ik voel een lekkere warme handdoek om mijn verkleumde lijfje. Dan pakt mijn moeder het boekje van Dikkie Dik en Poes Muis. Samen kijken we naar de plaatjes. De tekst kan ik zelf ondertussen zonder problemen opdreunen. Mijn vader komt mij nog een kus geven. Na een dikke knuffel van mijn moeder lig ik in bed. Het is nu zaak mezelf op te laden voor morgen; dan wacht weer net zo’n loodzware dag als vandaag.

     

  • Poesje mauw

    Mijn favoriete dier bij uitstek is wel de poes. Ik bof dat even verderop bij ons in de straat een exemplaar woont dat zich graag onder de mensen begeeft. Het lijkt soms wel alsof hij op me zit te wachten. Ik mag hem dan even aaien. Helaas overspeel ik mijn hand vrijwel direct; ik ren achter hem aan terwijl ik luidkeels zijn naam roep. Hij verstopt zich onder een nabij geparkeerde auto en wacht geduldig totdat mijn moeder mij van de plaats delict wegsleept. Ons rendez-vous loopt trouwens niet altijd zo goed af. Blijf ik mij bij hem opdringen, dan mag ik wel een tik verwachten.

    Mijn oom in Limburg heeft twee rode katers. Wanneer ik op bezoek ben bij oma Teun, ga ik met mijn broers vaak even bij hen kijken. James zwerft meestal buiten rond; Theo is gelukkig een echte huiskat. Zodra laatstgenoemde mij echter in het vizier krijgt, wil hij maar al te graag naar buiten. Soms is mijn oom hem net iets te snel af; hij doet het kattenluik dan op slot. Snel pak ik de speelstok en ren achter Theo aan. Ik sla hem met het pluizige uiteinde van de stok op zijn kop. De ongelukkige weet niet wat hem overkomt; hij onderneemt geen enkele poging om zich te verdedigen.

    Ik vraag me af hoe het leven als poes eruit zou zien. ’s Morgens kruip ik bij mijn moeder in bed. De ene keer vlei ik me naast haar neer; de andere keer lig ik bovenop haar. Ik begin dan heel zacht te mauwen. Ze speelt het spelletje maar al te graag mee. Ik krijg een aai over mijn bol en een kriebel achter mijn oren. Dan is het echt tijd om op te staan. Mijn moeder kleedt mij aan en maakt een smakelijk hapje klaar. Deze poes moet zo dadelijk zijn broers naar school begeleiden. Ik verheug me op het dagelijkse uitstapje;  ik ben namelijk niet echt een kat voor de vensterbank.

    Op school gedraag ik mij als een voorbeeldige peuter. Ik trek mijn jas uit, laat het op de grond vallen en duik de huishoek in. Op het teken van mijn moeder neem ik afscheid van mijn broers en vertrekken wij samen naar huis. Daar laat ik me weer op vier poten vallen. Het knuffelkonijn neem ik in mijn bek en zeul het zo de hele kamer door. Mijn moeder probeert me de trofee afhandig te maken. Ik laat me echter niet zomaar mijn smakelijk hapje afpakken. Even later kruip ik weer naar haar toe en geef haar een goede lik in haar gezicht. Gelukkig kan ze erom lachen.

    Onderaan de flat waarin oma R. en oma G. wonen, staat onze blauwe bus geparkeerd. Mijn moeder probeert Guus uit zijn autostoel te bevrijden. Ondertussen reageert ze op het gemiauw dat haar oren registreren. Ze blijft herhalen dat ze me zo komt bevrijden. Ik moet me even kalm houden. Nog heel even. Ik heb echter geen flauw idee waar ze het over heeft. Of tegen wie ze überhaupt praat. Dan voelt mijn moeder een harig kopje tegen haar been strijken. Ze bemerkt meteen haar vergissing. Heel menselijk, van een echt poezenbeest ben ik nauwelijks te onderscheiden.