Buiten schijnt de zon. Mijn zusje en ik spelen in de tuin. Onze broers zijn de hele dag op school. Noor en ik zijn dus min of meer tot elkaar veroordeeld. Soms hebben we het goed samen; soms hebben we slaande ruzie. We verkeren immers beide in de peuterpubertijd. Het enige verschil is dat ik een volleerd peuter ben en mijn zus een beginneling. Helaas voor mij; Noor is erg bij de pinken. Ze leert snel en ze leer het van de beste. We zijn dus een duo-pak explosief materiaal.
Ik heb het inmiddels warm gekregen van het springen op de trampoline. Gelukkig weet ik instinctief wat mij te doen staat. Ik trek aan mijn kleding en roep mijn moeder. Ze helpt me met het shirt; de rest kan ik tegenwoordig gelukkig zelf. Dan valt mijn oog op mijn mooie rode regenlaarsjes. Poedelnaakt ren ik op mijn laarsjes terug naar de springhoek. Mijn zusje slaat het tafereel gade. Ze wil graag ook van kleding en luier bevrijd worden. Daarna trekt ze de blauwe laarzen van Pim aan.
Het valt mij op dat op ons terras al de nodige blaadjes liggen. Dat kan zo niet. Ik maan mijn moeder tot actie. Even later zijn we druk aan het vegen. Mijn zusje wil ook en heeft het op mijn bezem voorzien. Mijn moeder geeft haar een handveger. Dat zint haar niet. Ze slaat mij ermee op het hoofd. Ik gil en geef haar een nog grotere klap terug. Mijn moeder tovert twee bijna identieke harken tevoorschijn. Dat is interessant. Gierend van de lach harken we de hoop bladeren weer uiteen.
Mijn moeder roept ons bij zich. Op de grond voor haar ligt een lieveheersbeestje. Onduidelijk is of het dier nog leeft. Ik doe mijn best om dat te achterhalen. Mijn zusje wil graag ook zo’n eentje om mee te spelen. Ze trekt aan mijn haren en huilt dikke tranen. Ik duw haar zo hard weg dat ze op haar billen landt. Gelukkig ontdekt mijn moeder verderop nog een -levend- exemplaar. Ze pakt ‘m op en legt hem bij zijn collega neer. Tevreden spelen mijn zusje en ik samen met onze tuindiertjes.
Na de lunch zijn we wederom druk in de tuin. We verkopen ijsjes en hebben ruzie over wie er nu op de trampoline mag. Mijn moeder trakteert ons op een lekker ijs. Ik neem een raketje, Noor kiest een aardbeienijsje. Even verderop staan onze tuinstoeltjes. We ploffen neer en keuvelen gezellig. Ik mag een likje van Noor haar ijs en zij van het mijne. Dan besluiten we te ruilen. Om vervolgens nogmaals van ijs te wisselen. Liefdevol leg ik een arm om mijn zusje heen; we zijn en blijven beste vrienden.
Geef een reactie