Mijn favoriete dier bij uitstek is wel de poes. Ik bof dat even verderop bij ons in de straat een exemplaar woont dat zich graag onder de mensen begeeft. Het lijkt soms wel alsof hij op me zit te wachten. Ik mag hem dan even aaien. Helaas overspeel ik mijn hand vrijwel direct; ik ren achter hem aan terwijl ik luidkeels zijn naam roep. Hij verstopt zich onder een nabij geparkeerde auto en wacht geduldig totdat mijn moeder mij van de plaats delict wegsleept. Ons rendez-vous loopt trouwens niet altijd zo goed af. Blijf ik mij bij hem opdringen, dan mag ik wel een tik verwachten.
Mijn oom in Limburg heeft twee rode katers. Wanneer ik op bezoek ben bij oma Teun, ga ik met mijn broers vaak even bij hen kijken. James zwerft meestal buiten rond; Theo is gelukkig een echte huiskat. Zodra laatstgenoemde mij echter in het vizier krijgt, wil hij maar al te graag naar buiten. Soms is mijn oom hem net iets te snel af; hij doet het kattenluik dan op slot. Snel pak ik de speelstok en ren achter Theo aan. Ik sla hem met het pluizige uiteinde van de stok op zijn kop. De ongelukkige weet niet wat hem overkomt; hij onderneemt geen enkele poging om zich te verdedigen.
Ik vraag me af hoe het leven als poes eruit zou zien. ’s Morgens kruip ik bij mijn moeder in bed. De ene keer vlei ik me naast haar neer; de andere keer lig ik bovenop haar. Ik begin dan heel zacht te mauwen. Ze speelt het spelletje maar al te graag mee. Ik krijg een aai over mijn bol en een kriebel achter mijn oren. Dan is het echt tijd om op te staan. Mijn moeder kleedt mij aan en maakt een smakelijk hapje klaar. Deze poes moet zo dadelijk zijn broers naar school begeleiden. Ik verheug me op het dagelijkse uitstapje; ik ben namelijk niet echt een kat voor de vensterbank.
Op school gedraag ik mij als een voorbeeldige peuter. Ik trek mijn jas uit, laat het op de grond vallen en duik de huishoek in. Op het teken van mijn moeder neem ik afscheid van mijn broers en vertrekken wij samen naar huis. Daar laat ik me weer op vier poten vallen. Het knuffelkonijn neem ik in mijn bek en zeul het zo de hele kamer door. Mijn moeder probeert me de trofee afhandig te maken. Ik laat me echter niet zomaar mijn smakelijk hapje afpakken. Even later kruip ik weer naar haar toe en geef haar een goede lik in haar gezicht. Gelukkig kan ze erom lachen.
Onderaan de flat waarin oma R. en oma G. wonen, staat onze blauwe bus geparkeerd. Mijn moeder probeert Guus uit zijn autostoel te bevrijden. Ondertussen reageert ze op het gemiauw dat haar oren registreren. Ze blijft herhalen dat ze me zo komt bevrijden. Ik moet me even kalm houden. Nog heel even. Ik heb echter geen flauw idee waar ze het over heeft. Of tegen wie ze überhaupt praat. Dan voelt mijn moeder een harig kopje tegen haar been strijken. Ze bemerkt meteen haar vergissing. Heel menselijk, van een echt poezenbeest ben ik nauwelijks te onderscheiden.
Geef een reactie